Grote bonte specht
Dendrocopos major

| Voorkomen | |
|---|---|
| status | Inheems (1a) |
| habitat | |
| referentie | SOVON 2002 |
| Expert | |
| status sinds 1982 | Nog te bepalen |
Grote Bonte Spechten markeren in het voorjaar hun territorium door roepen, roffelen en veel vechtpartijen. In het algemeen worden diverse holen begonnen of bewerkt. Alleen geïsoleerde paren zijn onopvallend. Door het luidruchtige en beweeglijke gedrag in het voorjaar valt het niet mee om de territoria te tellen. Bovendien is het niet verstandig om hiermee voor eind maart te beginnen. De winterverspreiding in naald- en gemengd bos kan namelijk volledig anders zijn dan de zomerverspreiding (van Manen 1997). Het is echter niet aannemelijk dat deze moeilijkheden van noemenswaardige invloed zijn geweest op het aanzien van de broedzekerheidskaart.
In bijna heel Nederland zijn broedende Grote Bonte Spechten vastgesteld. Het voorkomen als broedvogel hangt regelrecht samen met de aanwezigheid van voldoende boomgroei. Bodemsoort, geografische ligging en mate van bebouwing lijken, zoals verwacht bij een kruinfoerageerder, van ondergeschikt belang. De weinige lege plekken van enige omvang zijn te vinden in de zeekleigebieden van Groningen en Friesland en op Schiermonnikoog.
Op de relatieve dichtheidskaart is vooral de aanwezigheid van bomen te zien. De dichtheid loopt op naarmate de boomdichtheid toeneemt en vindt zijn maximum in grote bossen. In werkelijkheid is het echter aannemelijk dat oudere en meer gevarieerde bossen een hogere dichtheid herbergen. Bij de Grote Bonte Specht kan hierbij echter een grens worden overschreden. Dichtheden in Pools oerbos bleken namelijk lager dan in het ‘aangetaste’ omringende productiebos, dat overigens nog heel wat ouder en gevarieerder is dan de meeste Nederlandse bossen (Pugacewicz 1997). Op de kaart zien we dat alleen in de jonge, maar uitgestrekte bossen in Flevoland de dichtheid relatief laag is. Het ontbreken van dichtheidsnuances heeft er waarschijnlijk mee te maken dat de Grote Bonte Specht dermate algemeen en opvallend is dat hij in ieder een beetje bebost kilometerhok gemakkelijk kan worden vastgesteld. De gehanteerde methode bij het onderzoek was kwalitatief en te grof voor het vinden van gedetailleerde dichtheidspatronen bij deze soort.
Veranderingen
De grootscheepse aanplant van bos tussen 1880 en 1950 moet de Grote Bonte Specht enorm in de kaart hebben gespeeld. Deze bossen liggen voornamelijk op de zandgronden in de oostelijke helft van Nederland en waren ten tijde van de eerste atlasperiode (1973-77) alle geschikt als broedgebied voor Grote Bonte Spechten. In deze periode waren alleen de Waddeneilanden, Flevoland (op delen van de Noordoostpolder na), de zeekleigebieden van Friesland, Groningen, Noord- en Zuid-Holland en het Deltagebied, en een groot deel van de Drents-Groningse veenkoloniën onbezet. Vanaf de jaren zeventig nam het boomareaal in Nederland verder toe, niet alleen door bosaanleg (vooral Flevoland), maar ook door de aanleg van houtsingels, bosjes en erfbeplantingen in de open gebieden. In en rond dorpen en steden nam de hoeveelheid opgaand hout eveneens toe. Dit maakte het voor de Grote Bonte Specht mogelijk om zijn areaal verder uit te breiden. Inmiddels zijn ook de Waddeneilanden nagenoeg gekoloniseerd. De bijna landdekkende verspreiding illustreert prachtig hoe schaars grootschalige, werkelijk open gebieden in Nederland zijn geworden.
Ook binnen de langer bezette gebieden, zoals bossen op de hogere gronden, namen de aantallen toe. Deze toename kan worden toegeschreven aan de toenemende leeftijd en variatie in boomsoorten. Bovendien is het huidige bosbeheer toleranter voor de aanwezigheid van dode bomen, wat zeker in naaldhout voordelig is bij het vinden van een geschikte nestboom. De agrarische gebieden werden later gekoloniseerd, maar de opmars zet hier nog steeds krachtig door. In de ons omringende landen is de trend van de Grote Bonte Specht stabiel of licht toenemend (Hagemeijer & Blair 1997).
Aantallen
De broedpopulatie wordt, uitgaande van een voorzichtige interpretatie van bmp- en atlasmateriaal (rond 62.000 paren) geschat op 55.000-65.000 paren. Ten opzichte van 1973-77 (10.500-17.000 paren; mogelijk wat laag ingeschat) en 1979-85 (40.000-50.000) betekent dit een forse vermeerdering.




