Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Zwartkop Sylvia atricapilla

Foto: Dick Belgers

Indeling

Sylviidae [familie]
Sylvia [genus] (15/4)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Voor een soort die 60 jaar geleden werd omschreven als ‘broedvogel in hoog opgaand loofhout met veel onder­be­groeiing’ (Haverschmidt 1942) heeft de Zwartkop tegenwoordig een opmerkelijk ruime verspreiding. Vastgesteld in 95% van de atlasblokken ontbreekt hij alleen in de meest kale uithoeken van de Waddeneilanden (Vliehors, Boschplaat, Rottum) en sporadisch elders. De relatieve dichtheidskaart toont aan dat de Zwartkop vrijwel overal op de hoge gronden te horen is, of het nu gaat om loof- of naaldbossen, boerenland of stedelijk gebied. De dichtheidsverschillen die wel degelijk bestaan tussen en binnen deze habitats, worden door verzadigingseffecten niet zichtbaar in de kaart. Kleine enclaves van lage dichtheden vallen samen met open jonge ontginningslandschappen of schrale heidevelden (delen van de Veluwe), maar zullen deels ook waarnemerseffecten zijn. De overgang naar het lage deel van Nederland tekent zich soms scherp af (klei- en zandgebied van westelijk Noord-Brabant), maar verloopt soms ook meer geleidelijk (rivierengebied, Utrecht), al naargelang de meer of minder abrupte overgangen qua stoffering van het landschap met bossen en singels. In Laag-Nederland komen hoge dichtheden meer pleksgewijs voor dan op de hoge gronden. De bossen van de binnenduinrand en Flevoland, de wilgenbossen van de Biesbosch en de groene randen van stedelijke gebieden doen zich hier gelden als zwartkop-reservoirs. In het cultuurlandschap hier wordt de tweedeling manifest tussen de waarlijk open akker- en weidegebieden en de wat kleinschaliger landschappen. In bijvoorbeeld Friesland (Lage Midden en Bildt versus Woudstreek) en het Deltagebied (Overflakkee en Tholen versus Walcheren en de Zak van Zuid-Beveland) resulteert dit in markante contrasten op de dichtheidskaart. Grote moerasgebieden worden, indien verbossing toeslaat, bepaald niet gemeden.

Veranderingen

De Zwartkop heeft vrijwel uitsluitend winst geboekt sinds de vorige atlasperiode. In Groningen, Friesland, de Kop van Noord-Holland en in het oostelijk Deltagebied is hij sinds 1973-77 doorgedrongen in open en voorheen onbezette landschappen. Ook getalsmatig is er veel veranderd. Trendgegevens wijzen erop dat de aantallen in loofbossen, de kernhabitat, geleidelijk zijn verdubbeld sinds de jaren zeven­tig. In de duinen en het agrarisch gebied kwam een duidelijke toename in de jaren tachtig op gang; deze resulteerde in een vermeerdering met een factor vijf of zes. Dat de Zwartkop gunstige tijden beleeft, houdt verband met de uitbreiding van het bos en de veranderingen binnen de Nederlandse bossen. In de afgelopen kwart eeuw is veel bos aangeplant, vooral in Flevoland (op voedselrijke gronden,  dus weelderig bos; voor de Zwartkop ideaal), maar ook elders in Laag-Nederland (veelal in de vorm van recreatie- of ruilverkavelings­bosjes). Het bestaande bos is bovendien ouder geworden terwijl veel naaldbos, doorgaans productiebos, wordt omgevormd in natuurlijker loofbos; de resulterende uitbreiding van de struiklaag levert de Zwartkop nestgelegenheid op. Voorts profiteerde de soort van ‘zure regen’ en verlaging van het grondwaterpeil, die tot verandering van bosvegetaties hebben geleid. De resulterende ‘verbraming’ van bossen wordt door botanici betreurd, maar bezorgde de Zwartkop uitstekende nestplaatsen, vooral op drogere gronden. Tijdens systematisch onderzoek bij Nijmegen en in Zuid-Limburg medio jaren negentig bleek 76% van de gevonden nesten in loofbos (n=85) en 81% van die in naaldbos (n=27) in een braam gebouwd te zijn. In cultuurland (n=45) en moerasbos (n=51) was dat aandeel lager (38 resp. 31%) en vormden meidoorn en sleedoorn (cultuurland) dan wel brand­netel (moerasbos) even belangrijke nestplekken (F. Hustings ongepubl.). Voorts lijkt het erop dat de Zwartkop minder eisen is gaan stellen aan zijn leefomgeving. Van oorsprong een typerende bewoner van rijke loofbossen, is de soort niet alleen andere bostypen gaan bewonen zoals naaldbos met enige ondergroei, maar ook bosjes, houtwallen en erfbeplanting in open agrarisch gebied. Hiermee werd het startschot gegeven tot de succesvolle verovering van de open landschappen van Noord- en West-Nederland.

Aantallen

Maar liefst 310.000 paren zouden er tegenwoordig zijn, wanneer de extrapolatie van bmp- en atlasdata klopt. Licht corrigerend voor de oververtegenwoordiging van rijke bossen in de steekproef, wordt een getal van 270.000-320.000 paren als aannemelijk ingeschat. In 1979-85 werd een aantal van 70.000-120.000 paren berekend.

Bron

Auteur(s)

Hustings, F., Majoor, F.

Publicatie