Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Gewone breedborst Abax parallelepipedus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Abax [genus] (4/4)

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Abax [genus] (4/4)

Evenals de andere Abax-soorten een typische K-strateeg (zie biologie en hoofdstuk 4). Een tamelijk eurytope bossoort (Turin & Heijerman 1988). In preferentieproeven lichtschuw en eurytherm, met een optimum van 15-25°c (Thiele 1964a, 1977). In onze streken in praktisch alle niet te natte bostypen en beschaduwde terreintypen (Den Boer 1977), maar in het noorden van Groot-Brittannië en Ierland ook in meer open veengebieden met dichte vegetatie, in het hoogland op cultuurgrond (Lindroth 1974, Luff Et Al. 1989, 1992, Luff 1998). Ook in Denemarken in parken en op open plaatsen met enige beschaduwing van bomen (Lindroth 1986). Vanaf het laagland tot vrij hoog in de bergen, in Midden-Europa tot boven 2000 m (Burmeister 1939). Marggi (1992) meldde dat hij in Zwitserland vooral zeer talrijk kan zijn op kapvlakten en open plekken in bossen. De soort heeft volgens Lindroth (1986) iets kleiige bodem nodig voor de wand van de popkamer. In Nederland echter ook talrijk in bossen op zeer scherpzandige bodem, met name op de Veluwe.

Vangpotten. Groep: d3 (272 series, 19.720 individuen). De hoogste dichtheden en presenties in de matig vochtige bossen [15-16, 18-20], minder in de zeer vochtige of natte bossen [17, 21-22]. Buiten de bossen nog in diverse beschaduwde terreinen, soms met grote waarschijnlijkheid als zwerver vanuit bossen, zoals in heideterreinen [2, 3-6] en diverse typen grasland en struweel [23-26], maar altijd minder dan in de bossen, waar de reproductie plaats vindt. Eurytopie: 7 (pres = 0,55 en sim = 0,80). Bodem: kalk en leem. Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Beide wederzijds > 50% Carabus nemoralis 77,6% (63,4%) en Pterostichus oblongopunctatus 71,5% (52,6%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie