Boomkikker
Hyla arborea

| Voorkomen | |
|---|---|
| status | Inheems (1a) |
| habitat | land zoet |
| referentie | RAVON 2004 |
| Expert | Jeroen van Delft (RAVON) |
| status sinds 1982 | Nog te bepalen |
| status rode lijst | bedreigd |
| Verspreiding | |
|---|---|
| Trend |
|---|
Areaal
De boomkikker komt in vrijwel geheel Europa voor en ook in een klein deel van aangrenzend Azië. De noordelijkste vindplaatsen liggen in Denemarken en het uiterste zuiden van Zweden. De noordwestgrens van het areaal loopt door Nederland. De oostgrens loopt door het uiterste zuiden van Litouwen, door Wit-Rusland en Rusland tot de Oeral en tot over de Kaukasus tot in Noord-Turkije. De zuidgrens loopt van Zuid-Portugal via Midden-Spanje, door het zuiden van Midden-Frankrijk en via de Alpenlanden naar de Balkan. Ook diverse Griekse eilanden zijn bezet. Een aantal Nederlandse populaties in Zeeland, Gelderland en Overijssel staat in contact met populaties in de buurlanden.
De soort ontbreekt van nature geheel in Groot-Brittannië, Ierland, IJsland, Noorwegen en Finland. In Groot-Brittannië hebben introducties plaatsgevonden, die echter niet tot duurzame vestiging hebben geleid (Beebee & Griffiths 2000).
Het overgrote deel van het areaal wordt bezet door de nominaatvorm Hyla arborea arborea. Op het Iberisch schiereiland komt H. a. molleri voor, in delen van Griekenland en westelijk Klein-Azië H. a. kretensis en in de Kaukasus H. a. schelkownikowi. In Noord-Europa is de boomkikker een laaglandsoort die gewoonlijk onder de 500 m voorkomt. In de Alpen loopt dit op tot 800 m. De hoogste vindplaats ligt in Bulgarije op 2300 m (Gasc et al. 1997).
Naast de boomkikker komen in Europa nog enkele andere, soms sterk gelijkende soorten voor, te weten Italiaanse boomkikker H. intermedia, Tyrrheense boomkikker H. sarda en mediterrane boomkikker H. meridionalis (Arnold & Ovenden 2002, Gasc et al. 1997, Sindaco et al. 2006).
Verspreiding in Nederland
De verspreiding van de boomkikker omvat van oudsher het gebied oostelijk van de lijn Groningen-Apeldoorn-Breda-Middelburg. Het betreft hoofdzakelijk het pleistocene deel van Nederland, met de daarin gelegen districten op de zandgronden. De soort was ooit ruim verspreid, maar is sterk achteruitgegaan, met een dieptepunt rond 1990. De laatste 15 jaar treedt herstel op door uitvoering van maatregelen in het kader van provinciale en regionale actieplannen en het landelijke beschermingsplan boomkikker (Crombaghs & Lenders 2001).
Voor 1971
Uit de periode voor 1971 zijn meldingen bekend van circa 170 uurhokken, verspreid over Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel, Drenthe en Groningen.
In deze periode komt de soort voor in geheel Zeeuws-Vlaanderen; deze populatie staat in verbinding met boomkikkerpopulaties in België. Een geïsoleerde populatie bevindt zich op Tholen. Deze is mogelijk door overstroming met zeewater in 1944/1945 verloren gegaan (Van Bree 1960). In het centrale deel van Noord-Brabant – ongeveer het gebied tussen Roosendaal, Den Bosch, Eindhoven en de Belgische grens – heeft de boomkikker een wijde verspreiding (ca. 45 uurhokken) en is daar talrijk. In de jaren 60 neemt het areaal daar sterk af naar rond de 30 uurhokken (Marijnissen 1998). Vergoossen (1991) beschrijft de historische verspreiding in Limburg: ‘Ruim voor de Tweede Wereldoorlog verdwijnt de boomkikker uit oostelijk Zuid-Limburg; in de jaren vijftig gaat het zuidelijke Peelgebied verloren; in de eerste helft van de jaren zestig verdwijnt de soort grotendeels uit het gebied Arcen-Venlo, het Roerdal en uit het centrale deel van Zuid-Limburg’.
Over de Achterhoek schrijft Knake (1925): ‘Als ik van boomkikkers lees, gaan mijne gedachten altijd naar mijne geboorteplaats in den Achterhoek, naar Hoog-Keppel. Daar leven ze in overvloed’ en ‘dat de boomkikvorsch eigenlijk overal in den Achterhoek voorkomt waar bosch is, of wilde hei met een waterplas, die ’s zomers niet uitdroogt. Met ’t Lokaaltreintje van Winterswijk naar Doetinchem waren, in april of mei, de boomkikkers overal te hooren’. De meldingen tot en met 1970 (ca. 20 uurhokken) wijzen ook op een tamelijk aaneengesloten areaal in de Achterhoek. Bovendien komt de soort voor in delen van de IJsselvallei, ook aan de Veluwse zijde (Empe, Eerbeek; meerdere exemplaren in collectie Zoölogisch Museum Amsterdam). Het areaal in de Achterhoek vormt een geheel met dat in Twente. In Twente zijn in deze periode uit zo’n 30 uurhokken historische waarnemingen bekend en het verspreidingsgebied reikt tot aan de Sallandse Heuvelrug. In het noorden van Overijssel, langs het riviertje de Reest, bevindt zich een geïsoleerde populatie. Uit Drenthe zijn alleen historische waarnemingen bekend uit de omgeving van Havelte.
Een tweetal markante waarnemingen uit de provincie Utrecht (Den Treek, 1923, en Leersumse Veld, 1970/1971 en 1987) is niet geaccepteerd. De eerste betreft één onbevestigde waarneming van één exemplaar. De determinatie van de dieren bij Leersum wordt niet betwijfeld, maar de waarnemers vermoedden dat die dieren waren uitgezet. Ook waarnemingen op de Veluwe (Bergmans & Zuiderwijk 1986), behalve die op de overgang van het Veluwemassief naar het IJsseldal, zijn om dezelfde reden niet geaccepteerd.
1971-1995
In de jaren 60 is de neerwaartse trend al flink ingezet, maar in de jaren 70 en 80 verloopt deze in versneld tempo. Uit ruim 100 uurhokken zijn waarnemingen bekend, terwijl het aantal actieve waarnemers sterk stijgt in deze periode.
In oostelijk Zeeuws-Vlaanderen verdwijnt de boomkikker, alleen in het westelijke deel wordt standgehouden. Een aantal kleine populaties is nog aanwezig in veelal kleine leefgebieden in de Knokkert, Vlamingepolder, Kruisdijk, de Plate, Driewegen en Groedse Duintjes.
In het midden en oosten van Noord-Brabant is de afname dramatisch (Stumpel et al. 1987). Rond Tilburg en langs de grens met België tussen Zundert en Baarle-Nassau (o.a. langs het Merkske) blijft de soort aanwezig tot eind jaren 80. In oostelijk Noord-Brabant resteren slechts enkele geïsoleerde, wegkwijnende populaties, die alle binnen deze periode verdwijnen. Langs de Maas in Noord-Brabant heeft de soort standgehouden tot eind jaren 70 in de Groeningse en Vortumse Duintjes (Creemers & Krekels 2001). Marijnissen (1998) komt tussen 1970 en 1979 voor heel Noord-Brabant uit op 19 uurhokken en tussen 1980 en 1989 op 13 uurhokken. Er bleven begin jaren 90 nog drie populaties over: de Brand, de Leemkuilen en de Molenschotse Heide (Gilze-Rijen). In de Brand is de populatie in 1989/1990 op sterven na dood met nog slechts drie à vier roepende mannetjes (Marijnissen & Schoor 1997). In de Leemkuilen zijn, na het vermoedelijke uitsterven van de boomkikker begin jaren 80, in de jaren 1987-1989 boomkikkers uitgezet die afkomstig waren van de Molenschotse Heide (Gilze-Rijen). De soort vestigt zich opnieuw en het aantal in de Leemkuilen stijgt tot boven de 50. Op de Molenschotse Heide bereikt de populatie haar dieptepunt in 1991/1992 met slechts zes roepende mannetjes (in 1986 nog 27) in één water.
In Limburg was het al niet veel beter. Het areaal in Limburg blijft beperkt tot enkele uurhokken. De kernpopulatie bevindt zich in de Doort (nabij Echt), waar de populatie in 1978 zijn dieptepunt bereikt met 30-40 roepende mannetjes. Na herstelmaatregelen stijgt dat aantal naar 175-200 in 1991 en daalt naar 20-70 in 1993 door slechte reproductie ten gevolge van droge jaren en een lage grondwaterspiegel. Het gebied rondom Echt herbergt aan het eind van deze periode de laatste Limburgse populatie.
In de Achterhoek lijkt de afname mee te vallen. In 1985 wordt gestart met integrale tellingen voor de hele Achterhoek en in dat jaar stelt men de aanwezigheid vast in 11 kilometerhokken met in totaal ongeveer 180 roepende mannetjes. Vanaf dat moment begint de boomkikker zich hier uit te breiden, tot 15 kilometerhokken in 1990 (Stronks 1999). Door deze lichte stijging wordt het Boomkikkerbeschermingsplan Achterhoek geïnitieerd (Consulentschap nblf Gelderland 1992), waardoor de populatie in de Achterhoek zich verder kan herstellen. In deze periode zijn de populaties van Exel-Tol en van het Aaltense Goor verdwenen. In Twente lijkt op het niveau van uurhokken nauwelijks sprake van een afname. Op een gedetailleerder schaalniveau voltrekt zich in de jaren 70 en 80 echter ook in Twente een enorme achteruitgang (Halfwerk & Honingh 1994). De boomkikker verdwijnt uit veel leefgebieden, zoals het Voltherbroek, het Deldenerbroek, Hagreis, het Molenven, de Kersdijk, landgoed Smalenbroek en landgoed Weldam. In Twente zijn begin jaren 90 nog 13, meest kleine, populaties over (Crombaghs & Lenders 2001). In Drenthe is de boomkikker in drie gebieden aangetroffen. In twee daarvan, in de omgeving van Havelte en Gieten, is de soort in deze periode verdwenen. Alleen in het Reestdal kon zich nog een kleine populatie handhaven (Provincie Drenthe 1987).
1996-2007
De populatieontwikkeling van de boomkikker in Zeeuws-Vlaanderen is illustratief voor het relaas van de soort in Nederland. Vanaf eind jaren 90 resteren nog drie deelpopulaties van enige omvang (Cadzand, Retranchement en Aardenburg). De kleine populaties sterven, door het isolement en de geringe aantallen dieren na 1997 uit (Crombaghs et al. 2006). Daarna hebben de terreinbeheerders alles in het werk gesteld om de laatste drie populaties veilig te stellen en te versterken. Dat heeft als resultaat gehad dat de aantallen stijgen van rond de 250 (in 1993) naar circa 500 roepende mannetjes (2004-2006). Het aantalsverloop in Cadzand en Aardenburg is grillig, maar in Retranchement zet de stijgende lijn door. Om de Zeeuws-Vlaamse populatie duurzaam te laten voortbestaan moeten deze leefgebieden met elkaar worden verbonden. De uitvoering van de Ecologische Hoofdstructuur biedt daartoe mogelijkheden.
In Noord-Brabant volgt in de Brand een gestage toename van het aantal roepende mannetjes naar meer dan 100 in 1998, en uiteindelijk naar een grote populatie van ruim 400 mannetjes in 2005, verspreid over ruim 20 wateren (Marijnissen 2006). In de Leemkuilen houdt de soort stand, maar het aantal loopt terug naar ongeveer 20 roepende mannetjes in 2000, waarna weer een stijging optreedt naar 150 mannetjes in 2005, verdeeld over acht wateren (Van Erve & Michielsen 2005). Op de Molenschotse Heide schommelt het aantal roepende mannetjes tot en met 2004 tussen de acht en 20. In 2005 komt het aantal roepende mannetjes voor het eerst boven de 30.
In de enig overgebleven Limburgse populatie rondom Echt is er vanaf midden jaren 90 een blijvende stijging naar 150 roepende mannetjes in 2000 en circa 400 in 2005. Naburige populaties met hooguit enkele tientallen mannetjes per gebied bevinden zich in het Slekkerhout, Vulensbeekdal, Haeselaarsbroek en het IJzerenbosch (Van Buggenum 2004, Crombaghs et al. 2006b, Verbeek & Van Buggenum 2004).
De na 1985 ingezette stijging van de aantallen in de Achterhoek zet zich vanaf eind jaren 90 versneld door (fig. 4). Het aantal bezette kilometerhokken per jaar loopt op van 11 (1985) naar 24 (1991), 50 (2000) en 62 in 2006. In deze periode zijn twee populaties verdwenen: die van de Wildenborch ten noorden van Vorden (laatste waarneming 1995) en die van de Waterster ten zuiden van Borculo (laatste waarneming 2002). Het aantal roepende mannetjes is gestegen van ongeveer 250 (1991) via 500 (1999) naar ruim 2300 (2006). Het aantal koorplaatsen in 2006 bedraagt 109. De kern van de huidige verspreiding ligt tussen Varsseveld-Zelhem-Ruurlo-Lichtenvoorde en de wijde omgeving van Borculo en Neede (Stronks 1999, Zollinger 2004).
In Overijssel is de soort in 2006 nog slechts aanwezig in zes van de 13 leefgebieden die begin jaren 90 nog bewoond waren. In Tilligte en omgeving komen de hoogste aantallen voor, die variëren van 40 tot 100 roepende mannetjes. In het gebied van het Ageler- en Voltherbroek/Huneborg zijn de aantallen sterk gestegen sinds 1991, van enkele naar rond de 100 mannetjes, ten gevolge van de aanleg van nieuwe poelen en een adequaat beheer. In de Zuid-Eschmarke is de populatie eind jaren 80 nagenoeg uitgestorven, maar vertoont een stijging van enkele (1989) naar ruim 200 roepende mannetjes eind jaren 90 (Braad 2000). Inventarisaties in 2000 (135 mannetjes) en 2005 (65 mannetjes) duiden op een sterke achteruitgang, maar binnen de marge die gebruikelijk is voor boomkikkers. In het aangrenzende Aamsveen nemen de aantallen sinds 2000 toe: van circa 40 (2003) naar circa 80 (2005). In het Witte Veen zijn de aantallen toegenomen van 18 (1996) naar 95 (2005) roepende mannetjes. In de leefgebieden Barvoorde, Twickel, Brummelman, Eppenzolder, Tusschede, Haaksbergen en Hoge Boekel zijn de boomkikkers verdwenen.
In Drenthe is bij Rabbinghe langs de Reest een kleine geïsoleerde restpopulatie aanwezig met een vijftal roepende mannetjes. In verschillende jaren zijn hier boomkikkers bijgezet. Na de aanleg van nieuwe poelen is in 2006 voor het eerst sinds jaren reproductie vastgesteld. Mede door de aanleg van poelen en een adequaat beheer van de landhabitat aan de Overijsselse kant van de Reest (juli 2006), is er kans dat de populatie zich herstelt en zich verder verspreidt in het Reestdal.
Op diverse plaatsen zijn boomkikkers uitgezet, waaronder ook niet-inheemse soorten. Zo is de mediterrane boomkikker Hyla meridionalis geregistreerd in Bilthoven, en de Italiaanse boomkikker H. intermedia op Terschelling. In de kop van Schouwen komen boomkikkers voor die afkomstig bleken te zijn uit Kroatië (Van der Molen 2001, Musters 2000).
Trend
Lange termijn
De boomkikker staat op de Rode Lijst in de categorie ‘bedreigd’. De soort is ten opzichte van de referentieperiode (de periode voor 1950) met 87% afgenomen (Van Delft et al. 2007).
De belangrijkste reden voor de sterke achteruitgang van de boomkikker gedurende de twintigste eeuw is het verlies van leefgebied, met name door de aftakeling van het ‘ouderwetse’ cultuurlandschap en de grootschalige ontwatering. Van de overgebleven gebieden is de kwaliteit sterk gedaald door verdroging, overbemesting, versnippering en isolatie. Het verdwijnen van kleine landschapselementen zoals heggen, houtwallen, bosjes, struwelen en veedrinkpoelen, maar ook het intensieve maaibeheer van bermen, hebben geleid tot het uitsterven van een groot aantal populaties. Lokaal zijn achterstallig onderhoud of een verkeerd beheer van deze elementen, maar ook het uitzetten van vissen en het wegvangen van boomkikkers verantwoordelijk voor het verdwijnen van populaties (Creemers 1996).
Recente ontwikkeling
Rond 1990 had de Nederlandse populatie een absoluut dieptepunt. In de laatste 15 jaar is het verspreidingsgebied alléén in de Achterhoek sterk uitgebreid, maar in de overige gebieden min of meer stabiel gebleven. Door gericht beheer ten gevolge van de uitvoering van het landelijke soortbeschermingsplan, evenals van regionale plannen, is wél in vrijwel alle gebieden in die periode de populatiegrootte sterk toegenomen. Niet alleen namen de aantallen sterk toe, maar is er ook een toename in de verspreiding. In een aantal resterende leefgebieden nemen de populaties toe en worden nieuwe poelen gekoloniseerd. Het meest zorgelijk is de situatie in Zeeland en Drenthe. In Zeeuws-Vlaanderen zijn alle kleine, geïsoleerde populaties recent verdwenen. In het uiterste zuidwesten zijn slechts drie kernen overgebleven. In Drenthe weet de boomkikker zich nog juist te handhaven.
Er is inmiddels voldoende ervaring met het natuurbeheer om het aantal dieren te kunnen vergroten. Op veel plaatsen worden nu nieuwe leefgebieden ontwikkeld en tracht men daardoor populaties weer met elkaar te verbinden.
Het gewenste aantal habitats per locatie in Nederland (46 in 2001), zoals geformuleerd in het beschermingsplan boomkikker 2001-2005 (Crombaghs & Lenders 2001), is ten dele gehaald. Het doel was om 6000 ha aan habitat en 180 km aan verbindingszones te hebben verwezenlijkt in 2005. In vrijwel alle leefgebieden zijn (herstel)maatregelen genomen, maar na een looptijd van vijf jaar was minder dan 50% van de gewenste maatregelen in de leefgebieden uitgevoerd en was minder dan 10% van de verbindingszones gerealiseerd. Stronks (2006) stelde vast dat de soort in de Achterhoek positief op de genomen maatregelen reageerde. In de landelijke trend is sprake van een sterke toename binnen de gemonitorde transecten (1997-2007), waarbij aangetekend dient te worden dat deze trend grotendeels wordt bepaald door de ontwikkeling in de Achterhoekse populatie (Goverse et al. 2008).
Bron
Auteur(s)
Stumpel, A.H.P. , Stronks, J., Zollinger, R.Publicatie
- Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.







