Indeling

  1. Anas[genus]
    (14 soorten in totaal / 7 inheems)
    1. platyrhynchos[species](1/1)
      1. domesticus[forma]

Wilde eend

Anas platyrhynchos  

Foto Wijnand van Buuren, 25 maart 2013, Maurik
Voorkomen
Voorkomen
statusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
habitat
referentieSOVON Vogelonderzoek 2002
Expert
Trend
Trend

Wilde eend
bron: NEM (PGO’s, provincies, CBS)

Waarnemingen
Waarnemingen

De Wilde Eend is één van de algemeenste en meest verspreide broedvogels van ons land. Vrouwtjes met jongen zijn eenvoudig op te sporen, zodat in vrijwel alle bezette atlasblokken zekere broedgevallen zijn vastgesteld. In enkele bosrijke blokken op de Veluwe en in Noord-Brabant zal de soort in normale jaren ontbreken, maar in natte voorjaren is de Wilde Eend ook hier te verwachten. Dan worden zelfs poelen langs bospaden benut. De absentie op de westpunt van Vlieland (Vliehors) is waarschijnlijk reëel.

Het verspreidingspatroon is niet eenvoudig te doorgronden, maar door de resultaten van de punt-tellingen te combineren met gepubliceerde dichtheidscijfers, komt de grote lijn uit de verf. In Laag-Nederland is de Wilde Eend talrijk in de veenweide­gebieden en laagveenmoerassen, met dichtheden van 32-64 paren per 100 ha, soms nog meer. In kleipolders met een hoog aandeel grasland bedraagt de dichtheid de helft hiervan, maar als het aandeel bouwland hoog is, valt hij vele malen lager uit. In het rivierengebied variëren de dichtheden van 8-16 paren per 100 ha in de uiterwaarden tot de helft in de komkleigebieden. Rond oude rivierlopen en tichelgaten kan de dichtheid tot viermaal hoger liggen. In het hoge deel van het land is de soort in beekdalen en waterrijke natuur­gebieden (hoogveen- of heidereservaten met vennen) veel talrijker dan op de tussenliggende hogere en drogere ruggen. De dichtheden bedragen hier achtereen­volgens 16-32 paren en minder dan acht paren per 100 ha. In echt droge gebieden als de Hondsrug (Drenthe), Veluwe, Utrechtse Heuvelrug, Mont­ferland, Mergelland en enkele grote bosgebieden in Noord-Brabant broeden weinig Wilde Eenden (minder dan 0,1 paar/100 ha). In de duinen bestaan grote dichtheidsverschillen tussen de waterleidingduinen en natte duinvalleien enerzijds en de droge waterarme duinen anderzijds; deze verschillen komen overeen met de variatie die op de oostelijke en zuidelijke zandgronden bestaat. In de binnenduinrand kan de soort talrijk zijn. Deze eenden benutten de duinen alleen om te broeden en foerageren hoofdzakelijk in naastgelegen grasland-polders (Dijksen 1996). Zodra ze jongen hebben, verruilen ze de duinen definitief voor de polders.

In stedelijke gebieden komen weinig Wilde Eenden voor; hier wordt hun plek ingenomen door Soepeenden. Het onderscheid tussen beide soorten is niet altijd eenvoudig, maar zal in geen van beide kaarten tot grote onvolkomenheden hebben geleid. De kaart van de Wilde Eend is min of meer complementair aan die van de Soepeend. Steden als Rotterdam, Amsterdam en ’s-Gravenhage zijn op beide kaarten goed herkenbaar.

Veranderingen

In de verspreiding van de Wilde Eend hebben zich de afgelopen decennia amper veranderingen voorgedaan. De trend in de verschillende habitats varieert evenwel. In duingebieden is de soort sinds de jaren zestig flink afgenomen. De aanleg van infiltratiekanalen werd hier gevolgd door verdroging van natte duinvalleien toen de wateronttrekking ten behoeve van de drinkwatervoorziening werd geïntensiveerd (van der Meer 1996, Geelhoed et al. 1998). In het agrarisch gebied fluctueren de aantallen, met over de hele linie een lichte toename. De ingrijpende veranderingen in het boerenland lijken de Wilde Eend tamelijk onberoerd te hebben gelaten, al wordt voor bijvoorbeeld Zeeland een achteruitgang gemeld na ruilverkavelingen (Vergeer & van Zuylen 1994). In moerasgebieden namen de aantallen wat duidelijker toe dan in het cultuurlandschap. Uiteraard kunnen op lokaal niveau geheel van het geschetste beeld afwijkende trends optreden.

In gebieden waar de waterstanden in het voorjaar van het ene op het andere jaar sterk wisselen, verschillen de aantallen broedparen in aanzienlijke mate. Zo bedraagt de dichtheid in uiterwaarden langs de Waal in droge jaren nog niet de helft van die in natte voorjaren (Lensink et al. in druk) en belopen de jaarlijkse verschillen in natte heideterreinen in Zuidwest-Drenthe een factor drie (Kleine & van Eerde 1999).

Aantallen

Uitgaande van het atlasmateriaal en bmp-gegevens zou de landelijke broedpopulatie rond 440.000 paren bedragen. Gezien de onzekerheden bij de rekenwijze en de jaarlijkse fluctuaties wordt een marge van 350.000-500.000 paren aangehouden.

Bron

Auteur(s)

Lensink, R.

Publicatie