Voorkomen| Voorkomen |
|---|
| status | Inheems (1a)
|
|---|
| habitat | |
|---|
| referentie | Siebel et al. 2005 |
|---|
| Expert | Henk Siebel (BLWG-KNNV) |
|---|
| status sinds 1982 | Nog te bepalen |
|---|
| opmerking | s.l. [incl. L. juniperoideum] |
|---|
Leucobryum glaucum groeit vooral in loofbossen op voedselarm humeus zand, zowel op het Pleistoceen als in de kalkarme duinen. Ook groeit het in blauwgraslanden, alsmede in moerasheiden in de laagveengebieden. Het onmiskenbare Kussentjesmos behoort tot de bekendste mossen van ons land, mede door het gebruik in bloemstukjes. De veronderstelde lokale achteruitgang van Leucobryum glaucum is van het kaartje niet af te lezen. In de duinen, ook op de Waddeneilanden, is sprake van een toename gedurende de laatste decennia.
Leucobryum glaucum vormt stevige grijsgroene kussens die slechts langzaam groeien en zeer oud kunnen worden. Er zijn aanwijzingen dat de kussens veel minder groot worden dan vroeger. Het zeldzame voorkomen van sporenkapsels is behalve met tweehuizigheid ook in verband gebracht met klimaatsfactoren. Kapselvorming lijkt vooral voor te komen op beschutte plaatsen in gebieden met een hogere neerslag (op en rond de Veluwe) of hoge luchtvochtigheid (Wassenaar).Meer over deze soort in de verspreidingsatlas