Overslaan en naar de inhoud gaan

Spitse moerasslak Viviparus contectus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Viviparidae [familie]
Viviparus [genus] (3/2)
contectus [soort]

Levenscyclus

De dieren zijn eierlevendbarend. Elk ei ligt los in een met eiwit gevuld kapsel dat ca. 3 mm in doorsnede meet. Een kapsel bevat slechts één ei. De uterus bevat gewoonlijk 12-30 eikapsels (maximaal 82). De optimale embryoproductie ligt in juni-juli; het aantal neemt in oktober sterk af. Regelmatig komen er jonge slakjes uit de uterus vrij. Hun schelpjes zijn even hoog als breed; ze meten 5-6 mm in doorsnede en hebben kransen van haartjes, die later verloren gaan. Onder gunstige omstandigheden worden de embryo’s tot in augustus uitgestoten; de overige overwinteren in de uterus. Als de wijfjes dood gaan, zoals in aquaria waar ze het gewoonlijk niet lang volhouden, werpen ze de jongen uit.

De dieren vertonen een geslachtsdimorfie vanaf een schelphoogte van 15 mm. Ze zijn waarschijnlijk bij een schelphoogte van 20 mm volwassen (Van Der Spoel 1958). Eleutheriadis & Lazaridou - Dimitriadou (1995) concludeerden uit een populatiestudie dat V. contectus zijn maximale grootte bereikt bij een leeftijd van 5 jaar. De schattingen van de levensduur, gebaseerd op groeilijnen van het operculum en van de schelp, lopen sterk uiteen. De slakken zouden tot 10 jaar oud kunnen worden, maar er kunnen 12-20 ‘jaarringen’ geteld worden (Frömming 1956). Van der Spoel (1958) kwam tot de conclusie dat V. contectus vaak 7 jaar oud wordt en soms ouder (10 jaar). Dit is echter nog steeds onzeker, hoewel het relatief eenvoudig in de natuur, met gemerkte dieren, te testen zou zijn.

Voedsel

V. contectus kan zich met algen, detritus, aas, afstervende hogere planten, en enkele soorten levende waterplanten voeden (Frömming 1956, Gaevskaya 1969). Ook door water te filteren kunnen de slakken voedsel concentreren en opnemen (Frömming 1956). Met slijm omgeven kleine deeltjes worden naar de uitstroomsifon bewogen, waar ze in een gootvormig deel van het lichaam tot worstvormige massa’s worden gekneed. Deze voedselmassa’s worden vervolgens met behulp van speciale radulatanden richting slokdarm getransporteerd, waarbij het dier de kop regelmatig heen en weer beweegt (Hutchinson 1993).

Bron

Auteur(s)

Vries, J.N. de, Velde, G. van der, Meijer, T., Kuiper, J.G.J., Kuijper, W.J., Janssen, A.W., Gittenberger, E.

Publicatie