Overslaan en naar de inhoud gaan

Witte schijfhoren Gyraulus albus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Planorbidae [familie]
Gyraulus [genus] (8/4)
albus [soort]

Schelp

Ruim 3x zo breed als hoog. Bovenzijde ingezonken, onderzijde vlak of iets ingezonken. Tot 4½ windingen die regelmatig en vrij snel in grootte toenemen en aan de bovenzijde iets sterker gebogen zijn dan aan de onderzijde. Laatste winding regelmatig afgerond, meestal zonder kiel. Iets verwijd bij de mondopening. Zelden is er halverwege de hoogte een onduidelijke kiel aanwezig. Bij de mondopening gemeten neemt de laatste winding aan de onderzijde ongeveer 1/3 van de schelpdoorsnede in beslag en is er ongeveer dubbel zo breed als de voorlaatste. Mondopening iets breder dan hoog, zelden met een zwakke lip. Oppervlak bedekt met spiraal- en groeilijnen; hierdoor ontstaat een karakteristieke netvormige sculptuur, die echter bij oudere, verspoelde of met aanslag bezette schelpen onduidelijk kan zijn. Met een loep is het patroon dan vaak nog wel op de eerste windingen te zien. In sommige populaties zijn de schelpen met uitstekende schubjes van de opperhuid bezet. Oppervlak mat.

Schelpen van G. laevis hebben lang niet zo’n opvallende sculptuur als die van G. albus; de determinatie kan problematisch worden bij schelpen van laatstgenoemde soort met een door een of andere oorzaak afgezwakte sculptuur.

Afmetingen: breedte tot 9,0 mm, hoogte tot 2,0 mm (meest­al veel kleiner).

Dier

Dier roodachtige bruin; de tentakels zijn kleurloos (Frömming 1956). Zie Baker (1945) en Meier-Brook (1964) voor een beschrijving en een afbeelding van de genitalia.

Bron

Auteur(s)

Vries, J.N. de, Velde, G. van der, Meijer, T., Kuiper, J.G.J., Kuijper, W.J., Janssen, A.W., Gittenberger, E.

Publicatie