Overslaan en naar de inhoud gaan

Spiraal-schijfhoren Anisus spirorbis

Indeling

Planorbidae [familie]
Anisus [genus] (4/4)
spirorbis [soort]

Schelp

Zie ook de beschrijving van Anisus leucostoma, waar deze soort hier in eerste instantie mee vergeleken wordt. De schel­pen van A. spirorbis zijn relatief wat minder plat en ongeveer 4½x zo breed als hoog. Er zijn iets minder windingen, tot ongeveer 5, waarbij vooral de laatste relatief breder is en wat meer afgerond. Bij de mondopening gemeten neemt de laatste winding aan de onderzijde bijna G van de breedte in en is er minstens 1½x zo breed als de voorlaatste. Mondope­ning even breed als hoog, vaak met een duidelijke witte, ringvormige lip. Oppervlak fijn gestreept, glanzend.

Afmetingen: breedte tot 8,0 mm, hoogte tot 2,2 mm.

Dier

Het dier is grijs tot bruinzwart gekleurd, tot de voetrand lich­­­ter wordend; de tentakels zijn duidelijk lichter gekleurd, bij­na melkwit (Frömming 1956). Zie Baker (1945) en vooral Hu­­­­dec (1967) voor een beschrijving en een afbeelding van de genitalia.

Opmerkingen

Lange tijd is het onduidelijk geweest of A. spirorbis en A. leucostoma al dan niet als één soort beschouwd moesten worden (zie ook bij A. leucostoma). Hubendick (1951a) besloot na een schelponderzoek aan 17 populaties dat het hier één soort betreft. Hudec (1967) toonde echter anatomische verschillen aan en stelde dat het om twee aparte soorten gaat. Inmiddels overheerst deze laatste opvatting en worden er uit de ons omringende landen door diverse auteurs twee, ook op basis van de schelp herkenbaar geachte soorten gemeld (Sablon & Van Goethem 1989, Falkner 1990, Glöer & Meier-Brook 1994). De in deze recente publicaties gemelde verspreidingsgegevens doen vermoeden dat het soorten-duo ook in heel Nederland voorkomt, met A. spirorbis als de zeldzamere van de twee. Inderdaad werden er bij nader onderzoek in de collectie van het Nationaal Natuurhistorisch Museum, naast materiaal uit kennelijk vrij eenvormige populaties, van diverse plaatsen ook meer variabele monsters aangetroffen, met smalle (lage), nauw gewonden schelpen naast iets dikkere (hogere), wat ruimer gewonden exemplaren. Bij meting bleken de gevonden maten echter lang niet altijd goed te kloppen met de in de literatuur (en onder voorbehoud ook in dit boek) aangegeven getalsmatige verschillen tussen A. leucostoma en A. spirorbis. Bovendien konden niet alle exemplaren probleemloos worden ondergebracht bij een van beide groepen (soorten). Anatomisch onderzoek aan Nederlands materiaal bracht geen duidelijke bevestiging van Hudec’s (1967) resultaten. Hier moet nog aan worden toegevoegd, dat de indruk bestaat dat er in oostelijker streken in Europa een veel karakteristieker ‘A. spirorbis’  voorkomt dan meer naar het westen.

Al met al is het nog steeds onduidelijk welke Anisus soorten er in Europa voorkomen, welke daarvan er in Nederland leven, hoe die soorten in schelpvorm en anatomische kenmerken eenduidig gekarakteriseerd kunnen worden, en hoe ze in hun verspreidingsgebieden variëren. Ook de naamgeving zou door onderzoek aan type-materiaal nader bekeken moeten worden. Het beeld dat in de genoemde recente publicaties wordt geschetst is misleidend vereenvoudigd.

Bron

Auteur(s)

Vries, J.N. de, Velde, G. van der, Meijer, T., Kuiper, J.G.J., Kuijper, W.J., Janssen, A.W., Gittenberger, E.

Publicatie