Overslaan en naar de inhoud gaan

Zoetwaterneriet Theodoxus fluviatilis

Foto: Dick Belgers

Indeling

Neritidae [familie]
Theodoxus [genus] (2/1)

Levenscyclus

Van midden april tot begin oktober worden er ronde leerachtig-kalkige kapsels afgezet, met daarin 40-70 eieren. Een kapsel meet 1 mm in doorsnede en bestaat uit twee halve bollen, die zich bij oudere exemplaren gemakke­lijk in het equatoriale midden laten scheiden. Ze worden ’s nachts afgezet op allerlei substraat, zoals op schelpen van soort­genoten en andere mollusken en op de onderkant van stenen. De pas gelegde kapsels zijn ’s morgens nog gemakkelijk te herkennen omdat ze dan nog wit en week zijn. Na een dag zijn ze geelwit en steviger geworden. Van de vele eieren in een kapsel wordt er soms maar één bevrucht; de rest dient dan als voedsel voor het jong dat uit dat bevruchte ei zal ontstaan. Het jonge slakje is na ca. 100 dagen zo groot geworden dat het uit het kapsel barst, door een halfcirkelvormig deksel. In zoet water worden grotere kapsels afgezet dan in brak water; ook op plaatsen waar de juvenielen minder snel groeien worden relatief grote kapsels gevonden (Or­ton & Sibly 1990). Eieren die gelegd worden in de herfst ont­wik­kelen zich pas in de lente. In water waarin de temperatuur niet beneden de 12°c daalt kunnen twee generaties per jaar voorkomen. De in maart geboren dieren groeien snel, ze zijn nog hetzelfde jaar geslachtsrijp en planten zich dan voort. In het algemeen worden de dieren twee jaar oud; als maximale leeftijd wordt vijf jaar genoemd (Frömming 1956).

Voedsel

Algen, waaronder veel kiezelwieren, worden van stenen en ander substraat afgegraasd, terwijl ook aas als voedsel in aanmerking komt (Frömming 1956). Volgens Skoog (1978) is het beste dieet kiezelwieren, meteen gevolgd door gemengde cyanobacteriën; op Cladophora en aas doen de slakken het slecht. Neumann (1961) vond dat ééncellige groenwieren, zoals Chlorococcales en Conjugatae (jukwieren), niet verteerd kunnen worden door gebrek aan cellulase. Volgens deze auteur moeten de kiezelwieren, die het hoofdvoedsel vormen, eerst gekraakt worden voor ze verteerd kunnen worden. Dat kraken doet het dier met de radulatanden; het lukt alleen op een ruw oppervlak. Dit verklaart grotendeels het strikte voorkomen op harde substraten zoals stenen.

Bron

Auteur(s)

Vries, J.N. de, Velde, G. van der, Meijer, T., Kuiper, J.G.J., Kuijper, W.J., Janssen, A.W., Gittenberger, E.

Publicatie