Overslaan en naar de inhoud gaan

Gladde slang Coronella austriaca

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Colubridae [familie]
Coronella [genus] (1/1)
austriaca [soort]

Habitat

De gladde slang is in het noordwestelijk deel van zijn verspreidingsgebied sterk gebonden aan droge, zonnige habitats waaronder heidevelden, rotswanden en stapelstenen muurtjes rond wijngaarden. Behalve in deze droge habitats wordt de soort ook in een aantal hoogveenrestanten in Nederland en Duitsland aangetroffen. Vermoedelijk kwam de soort vroeger in onaangetast hoogveen vooral in de drogere randzones voor, omdat de hoogveenkern te nat is voor overwintering. Door de aanleg van dijkjes en paden en de sterke ontwatering zijn de mogelijkheden om dieper door te dringen in het veen, sterk vergroot.

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 691 van de 3326 waarnemingen voorzien van een habitatcodering (21%). Daarbij komen duidelijk hoogveen en heide als voorkeurshabitat naar voren. Daarnaast komt de soort voor langs infrastructuur (weg- en spoorbermen). Soms worden ook ruderaal terrein en bos en struweel gemeld. Er zijn sporadische waarnemingen bekend van stad en dorp, agrarisch gebied en van halfnatuurlijke graslanden. Vaak zijn deze vondsten gedaan rond de grotere kernpopulaties in de hoogveen- en heidegebieden.

Het substraat in de Nederlandse leefgebieden bestaat uit zand of veen, nooit uit klei. Vooral droge heideterreinen worden bewoond, maar ook open bossen en jonge aanplant op zandgrond. Zowel in Noord-, Oost-, als Zuid-Nederland vormen hoogveenrestanten belangrijke leefgebieden. Hier worden in het bijzonder de drogere delen gebruikt zoals dijkjes en paden. Er zijn echter waarnemingen bekend van dieren zonnend op drijftillen met een hoogveenvegetatie. De soort kan ook voorkomen op kalkgraslanden en in groeven, maar in ons land zijn daar geen voorbeelden meer van bekend (Lenders 1987). Vroeger kwam de soort op het Nederlandse gedeelte van de Sint Pietersberg voor.

Er zijn in leefgebieden van gladde slangen drie habitatniveaus te onderscheiden die vaak duidelijk te karakteriseren zijn. Op macroniveau is er vaak sprake van een glooiend landschap. Op mesoniveau is de aanwezigheid van taluds, steilkantjes en dergelijke zeer typerend en op microniveau zijn bijna altijd veel bulten, kuilen en gaten aanwezig. Altijd is een structuurrijke vegetatie aanwezig en een goed vergraafbare bodem of strooisellaag. De habitat wordt gekenmerkt door veel zoninstraling en vaak worden zonnende dieren aangetroffen op hogere, droge structuren, zoals begroeide stuifduintjes, dijkjes, taluds van greppels en sloten en maaisel- en plagselhopen. Ook bij liggende boomstammen en takkenbossen houdt de gladde slang zich graag op.

Een verspreide begroeiing van bomen en struiken kan in het leefgebied aanwezig zijn, maar massale bosopslag wordt niet verdragen. De bodemvegetatie bestaat vaak uit structuurrijke, oude heide, maar vergraste terreindelen zijn ook zeer in trek. Dikke matten van bochtige smele en volgroeide horsten van pijpenstrootje vormen een geschikt leefgebied. In de droge delen van de Brabantse Kempen komen de meeste waarnemingen van vervilte bochtige smele-vegetaties, terwijl in dezelfde gebieden goed ontwikkelde struikheidevegetaties aanwezig zijn (eigen waarnemingen). Ook Kersten & Mertens (1982) deden het grootste percentage waarnemingen in bochtige smele-vegetaties. In de Peel en het Fochteloërveen worden veel waarnemingen gedaan aan randen van dichte pijpenstrootjevegetaties. In het Fochteloërveen genieten al dan niet vergraste kraaiheidevegetaties de voorkeur boven andere heidevegetaties (Feenstra 2000). De bulten en laagtes in vergraste vegetaties leveren blijkbaar voldoende structuur, voedselaanbod en vergraafbaar substraat. De gladde slang houdt zich schuil in en verplaatst zich het liefst onder de vegetatie. Een bodem of bodemlaag met een losse structuur, waarin zich veel holen en gaten bevinden, heeft dan ook de voorkeur.

In Nederland maakt de gladde slang gebruik van een winter- en zomerhabitat die tot enkele honderden meters van elkaar gescheiden kunnen zijn (Strijbosch & Van Gelder 1993). Völkl & Meier (1988) noemen eveneens het bestaan van een ruimtelijk gescheiden zomer- en winterhabitat voor Zuid-Duitsland. In onderzoeken aan Engelse en Zweedse populaties wordt echter nadrukkelijk vermeld dat er geen sprake is van het gebruik van verschillende habitats gedurende een jaar (Edelstam 1990, Goddard 1981, Phelps 1978). De overwinteringsplaatsen zijn relatief hoog en droog gelegen en worden vaak door opslag beschermd tegen te extreme weersinvloeden. Wat betreft structuur of vegetatie onderscheiden zij zich echter meestal niet duidelijk van de zomerhabitat (Strijbosch & Van Gelder 1993).

Begeleidende soorten

De kans op het vinden van de levendbarende hagedis in kilometerhokken met gladde slangen is aanzienlijk groter dan op het vinden van de zandhagedis. Toch is deze laatste soort ecologisch sterker verwant aan de gladde slang. Deze wat vreemde situatie wordt deels veroorzaakt doordat in Friesland, Drenthe, Noord-Brabant en Limburg ten westen van de Maas wel relatief veel door de gladde slang bezette kilometerhokken liggen, terwijl de zandhagedis in deze (delen van) provincies (vrijwel) ontbreekt. In regio’s waar beide soorten voorkomen, vertonen ze vaak een grote overlap in verspreiding, zoals op de droge heideterreinen van de Veluwe en Limburg ten oosten van de Maas. De zandhagedis blijkt dan ook een karakteristieke begeleider van de gladde slang, in tegenstelling tot de levendbarende hagedis. Daarnaast zijn ook adder en hazelworm karakteristieke begeleiders. Het is opvallend dat de vinpootsalamander eveneens tot de karakteristieke begeleiders behoort. Deze komt immers uitsluitend in Noord-Brabant en Limburg voor. De intensieve inventarisaties in beide provincies zorgen voor een groot aantal overlappende kilometerhokken. In het rijtje met alledaagse begeleiders valt nog de positie van de heikikker op. Evenals de genoemde karakteristieke begeleiders, is dit een typische soort van heide- en hoogveengebieden.

In het nabije buitenland komt de gladde slang vaak samen voor met muurhagedissen in groeven, rotsachtig terrein en op wijngaardmuren.

Bron

Auteur(s)

Keijsers, P.L.G., Delft, J.J.C.W. van

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.