Overslaan en naar de inhoud gaan

Gladde slang Coronella austriaca

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Colubridae [familie]
Coronella [genus] (1/1)
austriaca [soort]

Jaarritmiek

De gladde slang komt later uit haar winterslaap dan de andere Nederlandse reptielen. In maart kunnen de eerste exemplaren al actief zijn, maar grotere aantallen dieren worden pas vanaf mei waargenomen. Tijdens onderzoek in de Hamert in 1978 en 1980 was de grondtemperatuur gestegen tot rond de 10°C toen de eerste slangen gesignaleerd werden (Meeuwissen & Christiaans 1980). Tot en met half mei worden vooral waarnemingen van mannetjes gemeld. Ook Keijsers (2000) vermeldt dat de eerst waargenomen dieren vaak mannetjes zijn. Mannetjes worden vooral in mei waargenomen en vanaf eind mei vrijwel uitsluitend vrouwtjes (Keijsers 2000, Keijsers & Lenders 2005). Ook uit augustus en september zijn veel mannetjes gemeld. De meeste jongen zijn tussen half augustus en eind september waargenomen.

Mogelijk vinden nabij de winterverblijven de eerste paringen plaats. De paartijd loopt van eind maart tot eind april, maar onttrekt zich grotendeels aan het oog van de waarnemer. In de tweede helft van augustus en wellicht nog in september kunnen herfstparingen plaatsvinden (Strijbosch & Van Gelder 1993). Feenstra (2001) meldt zelfs nog een paring op 5 oktober 2000. Deze late paringen kunnen succesvol zijn en tot geboortes in het volgende jaar leiden (Völkl & Käsewieter 2003).

In Nederland vinden in het voorjaar verplaatsingen plaats van het winterverblijf naar de zomerhabitat (Strijbosch & Van Gelder 1993).

Vrouwtjes zijn vooral in juli en augustus zonnend aan te treffen. Zij hebben immers veel warmte nodig voor de zich ontwikkelende embryo’s. De voorkeurslichaamstemperatuur is 29-33°C (De Bont et al. 1986).

De meeste jongen worden tussen half augustus en half september geboren, in warme jaren soms al eind juli of begin augustus (Keijsers 2005, Keijsers & Lenders 2005, Van Rijsewijk et al. 2007, Strijbosch & Van Gelder 1993). In koude jaren kunnen vrouwtjes soms pas in oktober werpen. De typische kluwens jonge gladde slangen worden met name in koude perioden gevonden. In warme jaren met vroege geboortes blijken de jongen al na korte tijd hun eigen weg te gaan (Feenstra 2000, 2001).

Gladde slangen kennen in Nederland een tweejaarlijkse voortplantingscyclus. In de zeldzame gevallen dat een vrouwtje in twee opeenvolgende jaren aan de voortplanting deelneemt, is de legselgrootte het tweede jaar kleiner dan in het eerste jaar (Strijbosch & Van Gelder 1993). Ook in andere Noordwest-Europese populaties komt deze tweejaarlijkse cyclus voor. In Scandinavië komt ook nog een driejarige cyclus voor, terwijl in Zuid-Europa vrouwtjes elk jaar aan de voortplanting deelnemen (Andrén & Nilson 1979, Fretey 1975, Rollinat 1934, Spellerberg & Phelps 1977).

Vanaf half september tot half oktober vindt de herfsttrek naar de overwinteringsplaatsen plaats. Afstanden naar overwinteringsplaatsen (tot 400 m) worden in korte tijd afgelegd en de slangen lijken de locaties dan ook goed te kennen (Strijbosch & Van Gelder 1993). De herfsttrek lijkt in gang gezet te worden door het dalen van de gemiddelde dagelijkse luchttemperatuur onder de 12°C. Temperaturen boven die grens zorgen in het voorjaar voor een duidelijke stijging van de activiteit (Kersten & Mertens 1982). De juvenielen verdwijnen als laatste in winterslaap. Gladde slangen kunnen gezamenlijk gebruik maken van een geschikte overwinteringsplaats. Van de Meinweg zijn locaties bekend waar zandhagedissen, gladde slangen en adders gezamenlijk overwinteren.

Kersten & Mertens (1982) volgden in 1981-1982 in de Hamert tien gezenderde volwassen gladde slangen voor, tijdens en na de winterslaap. De eerste slang ging op 3 november in winterslaap, de laatste op 2 december. In minder zachte najaren zullen de slangen echter al in oktober in winterslaap gaan (Strijbosch & Van Gelder 1993). In de tweede helft van maart kwamen alle gezenderde slangen weer bovengronds. Ze overwinterden circa 35 cm onder de grond. Hier kwam de temperatuur nooit onder het vriespunt. Zeven van de tien overwinteringsplaatsen van gezenderde slangen lagen op door struweel of bomen beschutte plaatsen. Rond de jaarwisseling kwam de temperatuur op 35 cm diepte boven de 4°C en werden enkele gladde slangen bovengronds waargenomen. Bij dalende temperaturen bleken de slangen zich dieper in de bodem te bewegen. Feenstra (2001) zag op de warme 5 januari 1999 vijf jongen van het jaar daarvoor.

Legselgrootte, groei en leeftijd

De gladde slang is eierlevendbarend (ovovivipaar) en de jongen breken snel nadat ze zijn geworpen uit het eivlies, waardoor er nauwelijks sprake is van een eifase buiten het moederdier. Oomen (1958) beschrijft de geboorte van gladde slangen. De 12 jongen werden ’s ochtends in 4,5 uur tijd geworpen. Na het werpen duurde het een kwartier tot een half uur voordat het jong het eivlies scheurde.

In Nederland bestaan de legsels uit 2-13 jongen, met een gemiddelde van 6-7,6 (Feenstra 2000, 2001, Keijsers & Lenders 2005, Strijbosch & Van Gelder 1993).

De jongen vervellen kort na de geboorte voor de eerste keer. Na zomers met weinig zon worden jongen vaak erg klein geboren. Zo werden in oktober 1988 pasgeboren jongen gemeten van 9-12 cm, terwijl een lengte van 12-21 cm voor juvenielen normaal is. De dooier in het eivlies was nog opvallend groot (eigen waarnemingen).

Kort na de voorjaarstrek, tussen eind mei en eind juni, vervellen de volwassen dieren. Tussen half juli en half augustus vindt een tweede vervelling plaats. Bij drachtige vrouwtjes is dit dus vlak voordat ze jongen krijgen. Vrouwtjes die zich dat jaar niet voortplanten vervellen meestal nog vlak voordat ze gaan overwinteren (eigen waarnemingen). Mannetjes vervellen in het najaar niet meer. Gedurende de perioden waarin de dieren vervellen, zijn ze inactief. (Kersten & Mertens 1982, Strijbosch & Van Gelder 1993).

In Nederland nemen gladde slangen vanaf hun vierde levensjaar aan de voortplanting deel. Bij uitzondering wordt een vrouwtje pas in haar vijfde levensjaar geslachtsrijp (Strijbosch & Van Gelder 1993).

Edelstam (1990) stelde na een 45-jarig onderzoek in Zweden een maximale leeftijd van 14 jaar vast. Reading (2004) stelde in een tienjarig onderzoek in Engeland als oudste dieren een vrouwtje van 16 en een mannetje van 17 jaar vast. De meeste dieren in de populatie waren echter 4,5-8,5 jaar oud.

Voedsel

Tot enkele decennia geleden werd aangenomen dat de gladde slang volledig op reptielen en in het bijzonder hagedissen als prooi is gespecialiseerd (Van de Bund 1964, McClellan 1975). Sommige populaties leven inderdaad nagenoeg uitsluitend van reptielen (Andrén & Nilson 1979, Zimmermann 1988), maar er zijn ook populaties die geheel van zoogdieren, in het bijzonder muizen en spitsmuizen, leven (Goddard 1984, Spellerberg 1988b) en alle gradaties daartussen. Opvallend is dat zich onder de zoogdieren veel jonge nestmuizen bevinden. Deze worden aan de hand van de geur in hun holen opgezocht. Op reptielen wordt daarentegen op zicht gejaagd (Steward 1958). Over het al dan niet eten van insecten bestaan uiteenlopende ideeën (Van Eijk 1972). Goddard (1984) en Engelmann (1993) noemen de gladde slang een opportunistische alleseter. Zelfs de adder wordt gegeten.

Voor volwassen gladde slangen speelt de geografische ligging van de populatie voor het prooiaanbod een belangrijke rol. De middelhoog gelegen gebieden in Europa zijn waarschijnlijk rijker aan reptielen dan de schrale zandige leefgebieden in Noordwest-Europa en de beschaduwde en hooggelegen vindplaatsen in Zuid-Europa (Strijbosch & Van Gelder 1993).

Strijbosch & Van Gelder (1993) vonden bij voedselonderzoek bij volwassen gladde slangen in de Hamert een verhouding tussen zoogdieren en reptielen van 4:1 tot zelfs 5:1. Dat komt overeen met het dieet van Engelse populaties. Daar werden echter voor jonge slangen omgekeerde waarden gevonden; tot 87,5% van het dieet bestond uit reptielen (Goddard 1984, Spellerberg 1988b, Spellerberg & Phelps 1977). Jonge gladde slangen zijn duidelijk selectiever in hun prooikeuze dan volwassen dieren en beperken zich grotendeels tot het eten van hagedissen.

Predatoren

In een overzichtsartikel van Strijbosch (1981b) worden slangenarend, buizerd, bosuil, egel, adder en de gladde slang zelf als predatoren van de gladde slang genoemd. Peter Keijsers nam waar dat een mannetje gladde slang een jong opat. Drachtige vrouwtjes zonnen relatief veel en zijn verminderd mobiel door de zich ontwikkelende jongen die zij met zich meedragen. Dat maakt ze gevoelig voor predatie. Predatie van gezenderde dieren gebeurde door een buizerd en hoogstwaarschijnlijk door hermelijn en bunzing (Strijbosch & Van Gelder 1993).

Diverse andere vogelsoorten, marterachtigen en het wild zwijn zullen naar alle waarschijnlijkheid ook gladde slangen eten. Het geringe aantal bekende predatoren van de gladde slang weerspiegelt waarschijnlijk vooral het gebrek aan onderzoek naar dit onderwerp bij deze soort.

Gedrag

Voor de paring kunnen er agressieve gevechten tussen mannetjes plaatsvinden, waarbij ze elkaar met opgeheven kop proberen te omstrengelen en waarbij heftig wordt gebeten. Dat kan tot diepe bijtwonden leiden. Voorafgaand aan de paring kruipt het mannetje 10-25 minuten om het vrouwtje heen. Daarbij wordt soms getongeld, knikjes met de kop gemaakt en kan het vrouwtje bekropen worden. De eigenlijke paring duurt vervolgens meestal 20-45 minuten en vaak wordt een paringsbeet waargenomen. Tijdens de paring liggen de dieren bijna in een haakse hoek ten opzichte van elkaar. (ENGELMANN ET AL. 1990, GüNTHER & VöLKL 1996B, VöLKL & KäSEWIETER 2003).

Zonnende drachtige vrouwtjes liggen vaak in kleine groepjes bijeen, soms dicht tegen elkaar aan. Mannetjes komen nauwelijks op deze ligplaatsen van drachtige vrouwtjes en worden er ook niet geduld (eigen waarnemingen).

De gladde slang is niet giftig, maar bijt vaak heftig wanneer ze wordt opgepakt. De ‘belager’ wordt dan vastgehouden, waarna de slang kauwende bewegingen maakt. Dat levert slechts kleine bloedende wondjes op. Ook worden de anaalklieren soms geleegd of voedselresten uitgebraakt. Spellerberg (1977) zag bij een jonge gladde slang in een terrarium hoe deze de laatste twee centimeter van zijn staart optilde en op en neer bewoog, na te zijn verstoord. Dit is ook gezien bij volwassen dieren, voornamelijk tijdens de vervellingsperiode (eigen waarnemingen). Dit gedrag wordt ook wel waargenomen wanneer gladde slangen in het nauw gedreven worden en een dreighouding aannemen. Hierbij platten zij hun kop af zodat deze een driehoekige vorm krijgt en enigszins op die van een adder lijkt.

Wanneer een gladde slang opgerold ligt te zonnen is de kop vaak enigszins onder het lichaam verstopt. Op deze manier blijven ze vaak lange tijd liggen, ook al staat de waarnemer er vlakbij. Door zijn kleur valt hij nauwelijks op tussen de vegetatie.

Verplaatsingen

Voor de paring kunnen er agressieve gevechten tussen mannetjes plaatsvinden, waarbij ze elkaar met opgeheven kop proberen te omstrengelen en waarbij heftig wordt gebeten. Dat kan tot diepe bijtwonden leiden. Voorafgaand aan de paring kruipt het mannetje 10-25 minuten om het vrouwtje heen. Daarbij wordt soms getongeld, knikjes met de kop gemaakt en kan het vrouwtje bekropen worden. De eigenlijke paring duurt vervolgens meestal 20-45 minuten en vaak wordt een paringsbeet waargenomen. Tijdens de paring liggen de dieren bijna in een haakse hoek ten opzichte van elkaar. (Engelmann et al. 1990, Günther & Völkl 1996b, Völkl & Käsewieter 2003).

Zonnende drachtige vrouwtjes liggen vaak in kleine groepjes bijeen, soms dicht tegen elkaar aan. Mannetjes komen nauwelijks op deze ligplaatsen van drachtige vrouwtjes en worden er ook niet geduld (eigen waarnemingen).

De gladde slang is niet giftig, maar bijt vaak heftig wanneer ze wordt opgepakt. De ‘belager’ wordt dan vastgehouden, waarna de slang kauwende bewegingen maakt. Dat levert slechts kleine bloedende wondjes op. Ook worden de anaalklieren soms geleegd of voedselresten uitgebraakt. Spellerberg (1977) zag bij een jonge gladde slang in een terrarium hoe deze de laatste twee centimeter van zijn staart optilde en op en neer bewoog, na te zijn verstoord. Dit is ook gezien bij volwassen dieren, voornamelijk tijdens de vervellingsperiode (eigen waarnemingen). Dit gedrag wordt ook wel waargenomen wanneer gladde slangen in het nauw gedreven worden en een dreighouding aannemen. Hierbij platten zij hun kop af zodat deze een driehoekige vorm krijgt en enigszins op die van een adder lijkt.

Wanneer een gladde slang opgerold ligt te zonnen is de kop vaak enigszins onder het lichaam verstopt. Op deze manier blijven ze vaak lange tijd liggen, ook al staat de waarnemer er vlakbij. Door zijn kleur valt hij nauwelijks op tussen de vegetatie.

Bron

Auteur(s)

Delft, J.J.C.W. van, Keijsers, P.L.G.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.