Overslaan en naar de inhoud gaan

Gladde slang Coronella austriaca

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Colubridae [familie]
Coronella [genus] (1/1)
austriaca [soort]

Begeleidende soorten

De kans op het vinden van de levendbarende hagedis in kilometerhokken met gladde slangen is aanzienlijk groter dan op het vinden van de zandhagedis. Toch is deze laatste soort ecologisch sterker verwant aan de gladde slang. Deze wat vreemde situatie wordt deels veroorzaakt doordat in Friesland, Drenthe, Noord-Brabant en Limburg ten westen van de Maas wel relatief veel door de gladde slang bezette kilometerhokken liggen, terwijl de zandhagedis in deze (delen van) provincies (vrijwel) ontbreekt. In regio’s waar beide soorten voorkomen, vertonen ze vaak een grote overlap in verspreiding, zoals op de droge heideterreinen van de Veluwe en Limburg ten oosten van de Maas. De zandhagedis blijkt dan ook een karakteristieke begeleider van de gladde slang, in tegenstelling tot de levendbarende hagedis. Daarnaast zijn ook adder en hazelworm karakteristieke begeleiders. Het is opvallend dat de vinpootsalamander eveneens tot de karakteristieke begeleiders behoort. Deze komt immers uitsluitend in Noord-Brabant en Limburg voor. De intensieve inventarisaties in beide provincies zorgen voor een groot aantal overlappende kilometerhokken. In het rijtje met alledaagse begeleiders valt nog de positie van de heikikker op. Evenals de genoemde karakteristieke begeleiders, is dit een typische soort van heide- en hoogveengebieden.

In het nabije buitenland komt de gladde slang vaak samen voor met muurhagedissen in groeven, rotsachtig terrein en op wijngaardmuren.

Voedsel

Tot enkele decennia geleden werd aangenomen dat de gladde slang volledig op reptielen en in het bijzonder hagedissen als prooi is gespecialiseerd (VAN DE BUND 1964, MCCLELLAN 1975). Sommige populaties leven inderdaad nagenoeg uitsluitend van reptielen (ANDRéN & NILSON 1979, ZIMMERMANN 1988), maar er zijn ook populaties die geheel van zoogdieren, in het bijzonder muizen en spitsmuizen, leven (GODDARD 1984, SPELLERBERG 1988B) en alle gradaties daartussen. Opvallend is dat zich onder de zoogdieren veel jonge nestmuizen bevinden. Deze worden aan de hand van de geur in hun holen opgezocht. Op reptielen wordt daarentegen op zicht gejaagd (STEWARD 1958). Over het al dan niet eten van insecten bestaan uiteenlopende ideeën (VAN EIJK 1972). Goddard (1984) en Engelmann (1993) noemen de gladde slang een opportunistische alleseter. Zelfs de adder wordt gegeten.

Voor volwassen gladde slangen speelt de geografische ligging van de populatie voor het prooiaanbod een belangrijke rol. De middelhoog gelegen gebieden in Europa zijn waarschijnlijk rijker aan reptielen dan de schrale zandige leefgebieden in Noordwest-Europa en de beschaduwde en hooggelegen vindplaatsen in Zuid-Europa (STRIJBOSCH & VAN GELDER 1993).

Strijbosch & Van Gelder (1993) vonden bij voedselonderzoek bij volwassen gladde slangen in de Hamert een verhouding tussen zoogdieren en reptielen van 4:1 tot zelfs 5:1. Dat komt overeen met het dieet van Engelse populaties. Daar werden echter voor jonge slangen omgekeerde waarden gevonden; tot 87,5% van het dieet bestond uit reptielen (GODDARD 1984, SPELLERBERG 1988B, SPELLERBERG & PHELPS 1977). Jonge gladde slangen zijn duidelijk selectiever in hun prooikeuze dan volwassen dieren en beperken zich grotendeels tot het eten van hagedissen.

Predatoren

In een overzichtsartikel van Strijbosch (1981b) worden slangenarend, buizerd, bosuil, egel, adder en de gladde slang zelf als predatoren van de gladde slang genoemd. Peter Keij¬sers nam waar dat een mannetje gladde slang een jong opat. Drachtige vrouwtjes zonnen relatief veel en zijn verminderd mobiel door de zich ontwikkelende jongen die zij met zich meedragen. Dat maakt ze gevoelig voor predatie. Predatie van gezenderde dieren gebeurde door een buizerd en hoogstwaarschijnlijk door hermelijn en bunzing (STRIJBOSCH & VAN GELDER 1993).

Diverse andere vogelsoorten, marterachtigen en het wild zwijn zullen naar alle waarschijnlijkheid ook gladde slangen eten. Het geringe aantal bekende predatoren van de gladde slang weerspiegelt waarschijnlijk vooral het gebrek aan onderzoek naar dit onderwerp bij deze soort.

Bron

Auteur(s)

Keijsers, P.L.G., Delft, J.J.C.W. van

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.