Overslaan en naar de inhoud gaan

Gevlekte ringslang Natrix helvetica

Foto: Dick Belgers

Indeling

Natricidae [familie]
Natrix [genus] (2/1)
helvetica [soort]

Habitat

De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Met name de ontwikkeling van de eieren en de overwintering vormen in polders een probleem (VAN DER LUGT & SIEBELINK 2003).

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 1505 van de 11.430 waarnemingen voorzien van een habitatcodering (13%). Daarbij komt duidelijk naar voren dat de ringslang het enige reptiel is met een aanzienlijke presentie in het laagveen. Andere landschapstypen waarin relatief veel waarnemingen worden verricht zijn bos en struweel en op en nabij infrastructuur (wegen en spoorwegen). Meer dan andere reptielen komt de soort ook voor in een bebouwde omgeving en in het agrarisch gebied. Heide en hoogveen maken onderdeel uit van het leefgebied, maar zijn geen voorkeurshabitat.

De ringslang is het sterkst aan water gebonden reptiel. Ze worden in bovengenoemde landschapstypen veel waargenomen langs lijnvormige wateren zoals sloten, weteringen, beken en kanalen, maar ook bij poelen, vennen en kleine, geïsoleerde wateren.

Vergeleken met de andere Nederlandse reptielen heeft de ringslang een vrij ruime habitatkeuze (STUMPEL 1987B). De soort komt ook voor in systemen die voor vrijwel alle andere Nederlandse reptielen te voedselrijk en daarmee te ruig begroeid zijn. Voorbeelden zijn laagveengebieden, bossen met een vrij dichte ondergroei en uiterwaarden.

De meeste waarnemingen worden verricht langs en op waterkerende dijken en spoordijken en op de oevers van sloten, beken, meren, vennen, vijvers en poelen of in de directe omgeving hiervan. Incidenteel worden exemplaren waargenomen in droge bossen of op droge heiden op ruimere afstand van water. Leefgebieden van ringslangen vertonen vaak veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voldoende eiafzetmogelijkheden en een ruim aanbod aan wateren (ZUIDERWIJK ET AL. 1998B) in de nabijheid van hogere gronden zijn belangrijke randvoorwaarden.

In de West-Nederlandse kern (Utrecht, Noord-Holland) komen ringslangen vooral voor in plassengebieden, langs kleinere rivieren en in het veenweidegebied. Op de hogere gronden, met name in Utrecht, komt de soort ook veel op landgoederen voor. Hier lijkt de situatie sterk op de Midden- en Oost-Nederlandse kern (Gelderland, Overijssel) waar oude landgoederen een belangrijk deel van het leef¬gebied uitmaken. Landgoederen vertonen een grote landschappelijke variatie van bossen, weilanden, vijvers, tuinen en overhoekjes. In Noord-Nederland (Drenthe, Friesland) komt de soort vooral voor in de uitgestrekte (vochtige) bossen, heiden en venen. Ook vochtige graslandgebieden met voldoende bosschages worden hier bezet.

De ringslang is in Europa een typische begeleider van rivieren en beekjes. Langs de Nederlandse grote rivieren komt de ringslang echter nauwelijks meer in uiterwaarden voor. Dat is waarschijnlijk te wijten aan het (tot voor kort) intensieve agrarische gebruik en de geïsoleerdere ligging ten opzichte van bestaande ringslangpopulaties (AARTS 1994). Begin jaren 90 waren buitendijkse waarnemingen vooral bekend uit de Blauwe Kamer en de Doorwerthse Waard. Na natuurontwikkeling en verruiging van de buitendijkse graslanden worden er meer ringslangen gemeld in enkele uiterwaarden, zoals die bij Wageningen.

Ringslangen gebruiken warme, vochtige plekken om hun eieren af te zetten. In een natuurlijke situatie zijn dat aangespoeld materiaal, rottende boomresten of composterende bladhopen, muizenholen, onder mosplakkaten, onder en tussen stenen, en in rottende boomstronken. In cultuurlandschappen wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, blad-, zaagsel-, houtsnipper- en composthopen. Het aanleggen van broeihopen is inmiddels een beproefd recept gebleken. De ringslang profiteert van een hoge dichtheid aan eiafzetplekken. Op plekken waar al jarenlang broeihopen worden aangelegd, worden veel vaker ringslangeieren aangetroffen dan op plekken waar pas sinds enkele jaren hopen worden aangelegd. (VAN DEN BOGERT 1992, 2002, HOFSTRA 2001, LUISELLI 1996, NöLLERT ET AL. 1989, ZUIDERWIJK ET AL. 1991, 1993).

Overwintering vindt plaats op droge en vorstvrije plekken zoals onder schors/houthopen, in basaltdijken, spoordijken, puinhellingen, ruïnes, kelders, vermolmde boomstronken, rietscholven en stromijten (ECKSTEIN 1993A, KABISCH 1972, MADSEN 1984, MELCHERS ET AL. 1999, RITTER & NöLLERT 1993, ZUIDERWIJK ET AL. 1999A, B). Meerdere exemplaren tot enkele honderden dieren kunnen gebruik maken van dezelfde plek (GüNTHER & VöLKL 1996C, RITTER & NöLLERT 1993). Ook overwinteren ringslangen wel samen met andere reptielen zoals adder en hazelworm (PHELPS 1978). In het algemeen gebruiken volwassen individuen dezelfde overwinteringsplaats tijdens verschillende jaren, maar verandering van overwinteringsplaats tussen verschillende winters is eveneens vastgesteld (RITTER & NöLLERT 1993, eigen waarnemingen). In zeer natte gebieden zoals laagveen en uiterwaarden zijn de schaarse hoge en droge structuren van groot belang. In de Weerribben werd vroeger onder andere overwinterd in hooioppers. In uiterwaarden zijn waarnemingen rond oude, hoger gelegen fabrieksterreinen bekend (RITTER & NöLLERT 1993, SMIT & ZUIDERWIJK 1991). Rond Rhenen en Wageningen wordt overwinterd op de stuwwal die grenst aan de uiterwaarden van de Nederrijn. Opmerkelijk is de associatie van de ringslang met voormalige vuilstortplaatsen (de Bruuk, Diemerzeedijk, Gouda, Kuinderbos). Waarschijnlijk zorgt het afgedekte puin voor optimale condities voor overwintering (ZUIDERWIJK 1991).

Begeleidende soorten

De belangrijkste alledaagse begeleiders zijn de algemene amfibieënsoorten. De karakteristieke begeleiders zijn heikikker, adder, hazelworm, levendbarende hagedis en meerkikker. De eerste vier soorten overlappen met hun verspreidingsgebied dat van de ringslang vooral in de Noord- en Midden-Nederlandse heidegebieden, hoogveengebieden en landgoederen. De heikikker komt daarnaast ook in veel laagveen- en poldergebieden samen met de ringslang voor. Dat zijn tevens de gebieden waar de meerkikker de ringslang begeleidt.

Bron

Auteur(s)

Delft, J.J.C.W. van, Wijer, P. de, Zuiderwijk, A.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieĆ«n en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.