Overslaan en naar de inhoud gaan

Gevlekte ringslang Natrix helvetica

Foto: Dick Belgers

Indeling

Natricidae [familie]
Natrix [genus] (2/1)
helvetica [soort]

Beschrijving

De ringslang is de grootste slang in Nederland. In de regel bereiken vrouwtjes een lengte van 100/120 cm, mannetjes worden maximaal 90 cm. Grotere exemplaren komen zeer zelden voor. In 2006 werd in de Amsterdamse Bijlmermeer een 131 cm lang vrouwtje (grootste omtrek 16 cm) teruggevangen dat ook al in juli 1999 werd gemeten. Toen was ze 113 cm lang (Werkgroep Monitoring 2006c). Het gewicht ligt tussen enkele grammen bij de geboorte en 20-100 gram voor de volwassen mannetjes. Vrouwtjes zijn vaak zwaarder en wegen meestal 70-350 g, met uitschieters tot 450 g voor drachtige, zeer grote vrouwtjes. (Boeken 1977, Daan 1975, Eckstein 1993c, Günther & Völkl 1996c, Janssen 1998, Kabisch 1999, De Wijer 2001).

De boven- en zijkant zijn olijfgroen, bruin of grijs en in meer of mindere mate bedekt met zwarte stipjes. Bij de in Nederland voorkomende ondersoort N. n. helvetica kunnen deze stipjes aan de zijkant een strepenpatroon vormen. Vlak achter de kop bevindt zich een ring die in kleur kan variëren van geel tot oranje, maar soms ook vaal wit is. Achter deze ring zijn twee, soms aaneengesloten, zwarte vlekken te zien. Aan de bovenkant kan de gele ring doorbroken zijn door een zwarte streep. Het contrast tussen het geel van de ring en het zwart erachter is bij jonge dieren soms zeer uitgesproken (Madsen 1987a). Bij oudere dieren, vooral vrouwtjes, kan de ring totaal ontbreken (Boeken 1977, Kabisch 1999). De buikschubben vertonen een zwart-wit patroon waarbij het zwart overheerst op de achterste helft van het dier. Individuele herkenning is mogelijk aan de hand van dit patroon (Boeken 1977, Carlström & Edelstam 1946, Daan 1975, Wiener & Cabela 1997, Willigenburg 1988, Zuiderwijk & Wolterman 1995).

Mannetjes en vrouwtjes zijn te onderscheiden aan de hand van de vorm van de staartbasis, de relatieve staartlengte en het aantal subcaudalia (schubben aan de onderkant van de staart). Bij mannetjes is, van de zijkant gezien, het begin van de staart aan de onderkant verdikt door de aanwezigheid van de hemipenes. Bij vrouwtjes ontbreken deze en is de staartbasis dunner ten opzichte van het gedeelte vóór de cloaca. Dit is bij jonge dieren echter zeer moeilijk te zien. Mannetjes hebben verhoudingsgewijs een langere staart dan vrouwtjes. Daarnaast is het gemiddeld aantal subcaudalia hoger bij mannetjes. Voor beide kenmerken is echter sprake van overlap, zodat deze geen volledige zekerheid geven over het geslacht (Boeken 1977, Daan 1975, Eckstein 1993c, Gregory 2004, Kabisch 1999, Waitzmann 1991). Bovendien missen de slangen vaak een stukje staart waardoor het aantal schubben en de lengte van de staart niet bepaald kunnen worden. Het optreden van verwondingen, waaronder het ontbreken van een stuk staart, komt vaker voor naarmate de slang groter is (Borczyk 2004b, Gregory & Isaac 2005). Volwassen vrouwtjes zijn robuuster gebouwd en hebben een bredere kop dan mannetjes (Gregory 2004, Günther & Völkl 1996c, Thorpe 1989).

Twee andere methoden voor het maken van geslachtsonderscheid zijn het naar buiten drukken van de hemipenes bij mannetjes of het vaststellen van de aanwezigheid hiervan door middel van sonderen. Voor deze methoden is echter ervaring nodig, omdat er anders beschadiging kan optreden (Günther & Völkl 1996c).

De ovale eieren zijn 2,5-3,5 cm lang en 1,5-2,5 cm breed en wegen 3-5 g (Eckstein 1993c, Golder 1985, Günther & Völkl 1996c, Kabisch 1967). Ze zijn (vuil)wit van kleur en hebben een elastische schaal. De legsels worden dikwijls in trossen gevonden, omdat de eieren aan elkaar kleven. In gezamenlijke afzetplaatsen zijn door het aaneenplakken de legsels van verschillende vrouwtjes niet duidelijk van elkaar te onderscheiden (Günther & Völkl 1996c).

Juveniele en subadulte ringslangen lijken qua kleur en tekening op volwassen exemplaren.

Herkenning

De ringslang is eenvoudig te onderscheiden van de andere twee inheemse slangen en de hazelworm door de gele ring en de zwarte vlekken achter de kop. De pupillen zijn rond, hetgeen de soort duidelijk onderscheidt van de adder.

Door de rubberachtige schaal zijn de eieren van de ringslang duidelijk afwijkend van die van vogels. Bij uitgekomen eieren zijn enkele sneetjes te zien die door het slangetje met behulp van de eitand gemaakt zijn. Met eieren van de zandhagedis is geen verwarring mogelijk: deze zijn kleiner, ronder en kleven niet aan elkaar. Bovendien zijn er grote verschillen tussen de eiafzetplekken van de twee soorten in Nederland.

Vervellingshuiden van de ringslang zijn te onderscheiden van die van gladde slang en adder aan de hand van de aanwezigheid van een kiel op de schubben in combinatie met het schubbenpatroon op de kop.

Zie ook de determinatiesleutels in Van Diepenbeek & Creemers (2006).

Bijzonderheden

In het buitenland zijn gevallen van albinisme en opvallend licht gekleurde dieren (Baker 2003, Benick 1933, Kabisch 1999) en melanisme (Duguy & Saint Girons 1988, Eckstein 1993c, Kabisch 1999, Madsen 1987a, Nilson & Andrén 1981) bekend. Ook is tweehoofdigheid vastgesteld (Davies 1974, 1996). Kabisch (1985 en referenties daarin) vermeldt het voorkomen van tweelingen die uit één ei kwamen.

Bron

Auteur(s)

Delft, J.J.C.W. van, Wijer, P. de, Zuiderwijk, A.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieĆ«n en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.