Overslaan en naar de inhoud gaan

Gevlekte ringslang Natrix helvetica

Foto: Dick Belgers

Indeling

Natricidae [familie]
Natrix [genus] (2/1)
helvetica [soort]

Jaarritmiek

Rond half maart zijn de eerste ringslangen zonnend bij het overwinteringsverblijf te zien. Mannetjes verschijnen in het algemeen eerder dan vrouwtjes. Subadulte dieren verschijnen later in het seizoen. (Boeken 1977, Capula & Luiselli 1997, Daan 1975, Janssen 1998, Phelps 1978, Ritter & Nöllert 1993, eigen gegevens).

Na het verschijnen van de eerste vrouwtjes vinden de eerste paringen plaats in de buurt van de overwinteringsplaats. Het aantal paringen piekt in april en ze vinden plaats tot eind mei. In mindere mate paren ringslangen ook in het najaar. (Coult 1989, Daan 1975, Eckstein 1993b, Janssen 1998, Phelps 1978, Ritter & Nöllert 1993, eigen waarnemingen).

Vanaf april verplaatsen de ringslangen zich geleidelijk naar de lager gelegen zomerhabitats (Phelps 1978). Wanneer vanaf april de temperaturen hoger worden gaan ringslangen op zoek naar voedsel. In april-juni vinden de aanleg en gedeeltelijke ontwikkeling van de eieren plaats in de vrouwtjes. Om het proces te versnellen zonnen vrouwtjes rond deze tijd frequent (Madsen 1984, 1987b). In juni-juli trekken de vrouwtjes in relatief korte tijd naar een geschikte eiafzetplek. Afstanden tot een kilometer zijn hierbij niet ongewoon en zelfs afstanden van enkele kilometers zijn vastgesteld (Madsen 1984, De Wijer 2001, Van Wilgenburg & Kelder 1999). De eiafzet kan plaatsvinden vanaf eind mei tot half augustus, maar het gros wordt gelegd van eind juni tot en met juli (Eckstein 1993b, Günther & Völkl 1996c, Luiselli & Capula 1996, Nöllert et al. 1989, De Wijer 2001). De meeste vrouwtjes leggen elk jaar eieren (Edelstam 1989, Luiselli 1996, Luiselli et al. 1997, eigen waarnemingen). Voor de ontwikkeling van de eieren zijn een constant hoge temperatuur van 24-30°C en een hoge vochtigheidsgraad nodig (Golder 1972, Meek 1983, Townson 1990). Rottend organisch materiaal voldoet hier zeer goed aan. Geregeld maken meerdere vrouwtjes gebruik van dezelfde eiafzetplek. Vele honderden tot enkele duizenden eieren zijn op zulke plekken bij elkaar gevonden (Van den Bogert & Van der Veen 1994, Golder 1985, Hofstra 2001, Kabisch 1965, 1967, Melchers 2002, Melchers et al. 1999, Reinhold 2005b, De Wijer 2001, Zuiderwijk et al. 1991, 1993).

Na de eiafzet duurt het zes tot tien weken voordat de eieren uitkomen (Eckstein 1993b, c). De jonge slangetjes bevrijden zich uit de eischaal door sneetjes te maken met hun eitand. Juvenielen worden vanaf augustus waargenomen met een piek in september. Ze verblijven nog enkele dagen in de buurt van de eiafzetplek om te vervellen (Günther & Völkl 1996c). Rond half oktober zoeken de slangen hun winterverblijf op (Kühnel 1993, Ritter & Nöllert 1993).

Legselgrootte, groei en leeftijd

De grootte van een legsel varieert met de grootte en conditie van het vrouwtje. Normaal worden er 5-30 eieren afgezet (Eckstein 1993b, Luiselli & Capula 1996, Luiselli et al. 1997, Madsen 1983, eigen waarnemingen). Door opname van water kan het gewicht en de omvang van het ei tijdens de ontwikkeling toenemen met 60% (Golder 1972, Günther & Völkl 1996c, Kabisch 1967).

Pasgeboren ringslangen zijn 14-22 cm lang en wegen 2-4 g (Eckstein 1993c, Golder 1985, Günther & Völkl 1996c, Kabisch 1999, Nöllert et al. 1989, De Wijer 2001).

Bij onderzoek aan ringslangen in Zweden bleken vrouwtjes sneller te groeien dan mannetjes (Madsen 1983, Madsen & Shine 1993a). Luiselli et al. (1997) vonden daarentegen in een populatie in Italië dat er geen verschil in groeisnelheid is tussen de seksen in de eerste drie jaar. Ook bij onderzoek rond het IJmeer is vastgesteld dat subadulte mannetjes en vrouwtjes even snel groeien (eigen gegevens).

Ritter & Nöllert (1993) stelden vast dat mannetjes gemiddeld 7% en vrouwtjes gemiddeld 6% in gewicht afnemen tijdens de overwintering.

De mannetjes en vrouwtjes in de Zweedse studie waren geslachtsrijp in respectievelijk het derde jaar en in het vierde of vijfde jaar (Madsen 1983), terwijl bij de studie in Italië de vrouwtjes pas in het zesde tot achtste jaar voor het eerst eieren kregen (Luiselli et al. 1997). Bij Amsterdam plantten vrouwtjes zich na ongeveer drie tot vier jaar voor het eerst voort, in enkele gevallen zelfs na twee jaar (eigen waarnemingen). Deze exemplaren zijn dan groter dan 65 cm.

Aan de hand van lengteverdelingen schatte Madsen (1983) dat ringslangen negen tot tien jaar oud worden. Edelstam (1989) vermeldt een maximum van 23 jaar. Luiselli et al. (1997) bepaalden door middel van het aantal groeiringen in het bot de leeftijd van een dood gevonden vrouwtje van 113,5 cm op 13 jaar. In de buurt van Amsterdam is een mannetje teruggevangen dat negen jaar eerder al 76 cm lang was. Op basis van deze gegevens is de leeftijd van dit mannetje op minimaal 13 jaar geschat (eigen waarnemingen).

De juvenielen vervellen enkele dagen na het uitkomen voor de eerste keer (Günther & Völkl 1996c). Volgens Madsen (1984) vervellen mannetjes tweemaal en vrouwtjes driemaal per jaar. Günther & Völkl (1996b) vermelden twee tot vier vervellingen per jaar, mogelijk meer dan vier. De eerste vervelling vindt plaats na de paring in eind april/mei (Ritter & Nöllert 1993, eigen waarnemingen). Tijdens het vervellingsproces zijn de slangen weinig actief en houden ze zich schuil (Brown 1992, Madsen 1984, Mertens 1994).

Voedsel

Het voedsel van de ringslang bestaat hoofdzakelijk uit amfibieën. Zowel padden, kikkers als watersalamanders worden gegeten. Reading & Davies (1996) schatten dat vrouwtjes gemiddeld acht padden per jaar eten en mannetjes bijna zes. Een enkele keer staan vissen, hagedissen, (nest)muizen en nestvogels op het menu. Als amfibieën schaars zijn kan het aandeel van andere prooidieren hoger liggen. (Boeken 1977, Broadley 1958, Eckstein 1993a, 1993c, Gleed-Owen 1994, 1996, Gregory & Isaac 2004, Kabisch 1999, Luiselli & Rugiero 1991, Luiselli et al. 1997, 2005, Madsen 1983, Phelps 1978, Reading & Davies 1996, Stanley 1992, Wiener & Cabela 1997, eigen waarnemingen).

Grotere slangen, vooral vrouwtjes, zijn in staat grotere prooien tot zich te nemen (Madsen 1983, Reading & Davies 1996). Onderzoek aan subadulte slangen rond het IJmeer heeft aangetoond dat tussen de geboorte en de eerste overwintering ringslangen bijna exclusief juveniele kleine watersalamanders aten. Naarmate ze groter werden nam het aandeel van juveniele gewone padden toe totdat tegen volwassenheid aan gewone padden het gros van het dieet uitmaakten (eigen waarnemingen). Verder zijn juvenielen jagend op salamander- en kikkerlarven waargenomen (Eckstein 1993c).

Kannibalisme en aaseten treden in uitzonderlijke gevallen op (Luiselli et al. (2005), Poschadel & Kirschey 2002, De Wijer & Janssen 2002).

Prooidieren worden levend naar binnen gewerkt. De kleine naar achter staande tandjes zorgen ervoor dat de buit niet kan ontsnappen (Hemmer 1966). De ringslang kan onder water de ooglens niet accommoderen wat betekent dat hij er slecht op zicht kan jagen (Schaeffel & Mathis 1991). In water zijn ringslangen jagend waargenomen met de kop boven water.

Skoczylas (1970) vond dat de vertering van kikkers bij 25°C ongeveer 60 uur duurt, afhankelijk van de grootte en de soort. Bij 5°C is er geen vertering, bij 15°C verloopt het zeer langzaam en stopt mogelijk. Bij 35°C verloopt de vertering hetzelfde als bij 25°C, of iets langzamer.

Schaarste aan voedsel kan de oorzaak zijn van gemiddeld kleinere dieren, zoals op een eiland waar wel watersalamanders maar geen padden en kikkers voorkwamen (Madsen & Shine 1993b).

Predatoren

Ringslangen vallen ten prooi aan een grote verscheidenheid aan vogels en zoogdieren. Van de vogels zijn vooral blauwe reiger, gaai, ekster en zwarte kraai, en roofvogels zoals buizerd en kiekendieven, belangrijke predatoren. Onder de zoogdieren komen egel, mol, vos, hermelijn, wezel, bunzing, das, otter, bruine rat en katten en honden in aanmerking als predatoren (Blackwell 1998, Cugnasse 2001, Eckstein 1993c, Günther & Völkl 1996c, Hofstra 2001, Kabisch 1970, Madsen 1987a, Spellerberg 1975, Strijbosch 1981b). Verder zijn er meldingen van gladde slang en forel die ringslangen op het menu hadden staan (Eder et al. 1988, Strijbosch 1981b). Door hun geringe grootte kunnen juveniele ringslangen ten prooi vallen aan kippen, merels, spreeuwen, mussen, gewone padden, kikkers, spitsmuizen en loopkevers (Blackwell 1997, Kabisch 1999, Strijbosch 1981b). Ringslangeieren worden gegeten door het merendeel van bovengenoemde zoogdieren en er zijn zelfs mieren waargenomen die eieren aanvraten (Kabisch 1999, Strijbosch 1981b).

Gedrag

Ringslangen zijn niet territoriaal. Buiten de paartijd is er weinig contact tussen verschillende dieren waar te nemen. Soms zijn ringslangen samen zonnend aan te treffen.

Bij de paring komt het regelmatig voor dat meerdere mannetjes tegelijk met een vrouwtje proberen te paren. Er vormt zich dan een kluwen van slangen (‘mating ball’) die kan bestaan uit enkele tientallen mannetjes rond een vrouwtje (Madsen & Shine 1993a, Ritter & Nöllert 1993). Gevechten tussen de mannetjes zoals bij adder en gladde slang komen niet voor (Capula & Luiselli 1997, maar zie Borczyk 2004a).

Tijdens de paring tongelt het mannetje frequent, schuift met schokjes langs het lichaam van het vrouwtje en duwt zijn kin tegen de bovenkant van haar lichaam. Als zijn cloaca zich ter hoogte van die van het vrouwtje bevindt, draait hij de basis van de staart onder het vrouwtje om een hemipenis in te kunnen brengen. Zodra de copulatie plaatsvindt proberen de andere mannetjes de paring niet te verhinderen en verlaten weldra het vrouwtje. Grote mannetjes hebben meer succes om te paren dan kleinere seksegenoten, omdat ze waarschijnlijk fysiek sterker zijn om de staart van rivalen weg te kunnen duwen. De mannetjes vertonen echter geen agressie tegenover elkaar tijdens de paring. Grote vrouwtjes blijken meer mannetjes aan te trekken dan kleine vrouwtjes. Een paring kan enkele minuten tot enkele uren duren. Als een vrouwtje al gecopuleerd heeft vertonen mannetjes geen interesse meer in haar. (Günther & Völkl 1996c, Kabisch 1999, Luiselli 1996, Madsen & Shine 1993a).

Bij gevaar heeft de ringslang verschillende tactieken om aan zijn belager te ontkomen. Allereerst probeert hij te vluchten. Als dit niet lukt en hij gepakt wordt, probeert hij de belager te verwarren door zich dood te houden: de slang laat zijn bek openhangen met de tong eruit (soms met een druppeltje bloed uit de slijmvliezen), het lichaam trekt krom in kronkels waarbij de onderkant van het lichaam (met contrastrijk patroon) wordt getoond en de pupillen verdraaien (Gregory et al. 2007, Malkmus 1984). Eckstein (1993c) nam dit gedrag waar bij 25-30%, Gregory et al. (2007) zelfs bij 66% van de gevangen volwassen dieren. Bij juvenielen komt het zich doodhouden niet of nauwelijks voor (Gregory et al. 2007, eigen waarnemingen).

Een ander vaak voorkomend afweergedrag is het uitscheiden van een stinkende vloeistof uit de anaalklieren tezamen met urine en de inhoud van de einddarm. Soms wordt een pas gegeten prooi uitgebraakt wanneer een ringslang wordt vastgehouden. Het is niet duidelijk of dit een gevolg van stress is of een afweerreactie (Eckstein 1993c). Het dreigen door middel van het afplatten en verbreden van de kop en het lichaam, wat vaak gepaard gaat met sissen, komt vooral bij oudere vrouwtjes voor maar is ook bij juvenielen waargenomen (eigen waarnemingen). Soms wordt het voorste deel van het lichaam hierbij opgeheven als bij een cobra (Eckstein 1993c). Jonge dieren rollen zich vaak op bij gevaar, de kop wordt dan meer beschermd en ze lijken dan minder op een worm (Eckstein 1993c, Hailey & Davies 1986). Madsen (1987a) toonde aan dat juvenielen zonder gele ring meer werden aangevallen dan juvenielen met ring en suggereerde dat dit komt doordat predatoren de gele kleur van de ring associëren met felgekleurde, oneetbare insecten.

Verplaatsingen

Radiotelemetrisch onderzoek in Nederland, Duitsland en Engeland heeft aangetoond dat het merendeel van de dagelijks afgelegde afstanden door ringslangen minder dan 120 m bedraagt. Grotere afgelegde afstanden per dag lopen op tot ruim 500 m. Madsen (1984) stelde in Zweden vast dat vlak voor de eiafzet de gemiddelde afgelegde afstand voor de vrouwtjes toenam tot 150 m per dag. Deze verplaatsingen vinden plaats binnen de home range van verschillende individuen die uiteen kan lopen van minder dan één hectare tot enkele tientallen hectares (Bouma & Roelofs 2004, Brown 1992, Madsen 1984, Mertens 1995, Spellerberg 1988b, De Wijer 2001, Van Wilgenburg & Kelder 1999).

De ringslang is in staat grote afstanden te overbruggen. Afstanden tot 7 km hemelsbreed zijn vastgesteld door middel van vangst-terugvangst en radiotelemetrie (Boeken 1977, Brown 1992, Daan 1975, Madsen 1984, Mertens 1995, De Wijer 2001, Van Wilgenburg & Kelder 1999, Zuiderwijk et al. 1999a, b, eigen gegevens). Daar de ringslang een goede zwemmer is, kan hij zich sneller verplaatsen via het water dan over het land en zijn grotere afstanden mogelijk (Zuiderwijk et al. 1999a). Bij terugvangsten rond het IJmeer van vrouwtjes die meer dan 1 km hemelsbreed hadden afgelegd ging het echter in bijna alle gevallen niet om zwervers die zich elders gingen vestigen (De Wijer 2001). Het betrof de jaarlijks terugkerende, gerichte trek van vrouwtjes naar een vaste eiafzetplek. Bij Amsterdam zijn ringslangen binnen het eerste jaar na geboorte op ruim 1 km afstand van hun geboorteplek teruggevangen terwijl voor subadulten afgelegde afstanden van ruim 2 km zijn vastgesteld (eigen gegevens).

Zwerfgedrag van individuele ringslangen zorgt ervoor dat de ringslang de meest succesvolle kolonisator is onder de Nederlandse reptielen. Individuele dieren kunnen in relatief veel habitats goed overleven en zorgen voor waarnemingen ver buiten de eigenlijke populaties (zie ook verspreiding). Daarbij worden ook rivieren en meren overgestoken.

Bron

Auteur(s)

Delft, J.J.C.W. van, Wijer, P. de, Zuiderwijk, A.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieĆ«n en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.