Overslaan en naar de inhoud gaan

Gevlekte ringslang Natrix helvetica

Foto: Dick Belgers

Indeling

Natricidae [familie]
Natrix [genus] (2/1)
helvetica [soort]

Inventarisatie

Ringslangen laten zich niet gemakkelijk zien. Ze zijn zeer alert en verdwijnen bij onraad snel in de dekking. Om er een te zien te krijgen dient men dan ook voorzichtig te lopen en een scherp oog voor ze te ontwikkelen.

De gebruikelijke wijze om ringslangen te vinden is het zoeken naar zonnende dieren. Daan (1975) en Boeken (1977) deden de meeste waarnemingen bij temperaturen van 18-22°C en vonden geen slangen bij een temperatuur lager dan 8°C. De beste tijd om ringslangen te zien is in het vroege voorjaar bij de overwinteringsplaatsen. Zonnende dieren vluchten door de lagere temperaturen nog niet snel weg en er is nog weinig dekking biedende begroeiing. Bovendien verraden ze zich in deze tijd van het jaar bij het wegkruipen vaak door geritsel in de talrijk aanwezige dorre bladeren. Wanneer het later in het seizoen warmer wordt en de vegetatie uitloopt, zijn ze moeilijker te vinden. Vooral in de hete zomermaanden worden relatief weinig ringslangen waargenomen. Van mei tot september zijn ringslangen aan te treffen in de buurt van amfibierijke wateren. Mannetjes vertonen in april en mei verhoogde activiteit wanneer ze op zoek zijn naar vrouwtjes (De Jong 1997, Madsen 1984), terwijl vrouwtjes vlak voor de eiafzet, in mei en juni, dikwijls zonnend aan te treffen zijn. Subadulte dieren zijn door hun grootte en gedrag moeilijker te vinden dan volwassen exemplaren (Mertens 1995). Potentiële eiafzetplaatsen zoals mesthopen kunnen in juni en juli afgezocht worden op zonnende vrouwtjes en in het najaar op zonnende juvenielen. Vanaf oktober kan een broeihoop gecontroleerd worden op de aanwezigheid van eischalen.

Ook het zoeken naar verkeersslachtoffers kan informatie opleveren over de aanwezigheid van de ringslang (Bonnet et al. 1999, Mulder 1999). Overwinterende exemplaren worden soms aangetroffen in hooimijten, mesthopen, houtafvalhopen, kelders en onder vloeren (Kabisch 1972).

Een andere effectieve methode is het neerleggen van platen (hout, plastic, golfplaat), bij voorkeur zwart van boven, waaronder de slangen schuilen (Blosat 1998, Eckstein 1993c, Gentilli & Zuffi 1995, Kühnel 1993, Mertens 1995, Reading 1997, eigen waarnemingen). De aanwezigheid in een bepaald gebied is ook vaak te achterhalen door navraag bij de lokale bevolking.

Bron

Auteur(s)

Delft, J.J.C.W. van, Wijer, P. de, Zuiderwijk, A.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieĆ«n en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.