Overslaan en naar de inhoud gaan

Gevlekte ringslang Natrix helvetica

Foto: Dick Belgers

Indeling

Natricidae [familie]
Natrix [genus] (2/1)
helvetica [soort]

Begeleidende soorten

De belangrijkste alledaagse begeleiders zijn de algemene amfibieënsoorten. De karakteristieke begeleiders zijn heikikker, adder, hazelworm, levendbarende hagedis en meerkikker. De eerste vier soorten overlappen met hun verspreidingsgebied dat van de ringslang vooral in de Noord- en Midden-Nederlandse heidegebieden, hoogveengebieden en landgoederen. De heikikker komt daarnaast ook in veel laagveen- en poldergebieden samen met de ringslang voor. Dat zijn tevens de gebieden waar de meerkikker de ringslang begeleidt.

Voedsel

Het voedsel van de ringslang bestaat hoofdzakelijk uit amfibieën. Zowel padden, kikkers als watersalamanders worden gegeten. Reading & Davies (1996) schatten dat vrouwtjes gemiddeld acht padden per jaar eten en mannetjes bijna zes. Een enkele keer staan vissen, hagedissen, (nest)muizen en nestvogels op het menu. Als amfibieën schaars zijn kan het aandeel van andere prooidieren hoger liggen. (BOEKEN 1977, BROADLEY 1958, ECKSTEIN 1993A, 1993C, GLEED-OWEN 1994, 1996, GREGORY & ISAAC 2004, KABISCH 1999, LUISELLI & RUGIERO 1991, LUISELLI ET AL. 1997, 2005, MADSEN 1983, PHELPS 1978, READING & DAVIES 1996, STANLEY 1992, WIENER & CABELA 1997, eigen waarnemingen).

Grotere slangen, vooral vrouwtjes, zijn in staat grotere prooien tot zich te nemen (MADSEN 1983, READING & DAVIES 1996). Onderzoek aan subadulte slangen rond het IJmeer heeft aangetoond dat tussen de geboorte en de eerste overwin¬tering ringslangen bijna exclusief juveniele kleine water¬salamanders aten. Naarmate ze groter werden nam het aandeel van juveniele gewone padden toe totdat tegen volwassenheid aan gewone padden het gros van het dieet uitmaakten (eigen waarnemingen). Verder zijn juvenielen jagend op salamander- en kikkerlarven waargenomen (ECKSTEIN 1993C).

Kannibalisme en aaseten treden in uitzonderlijke gevallen op (LUISELLI ET AL. (2005), POSCHADEL & KIRSCHEY 2002, DE WIJER & JANSSEN 2002).

Prooidieren worden levend naar binnen gewerkt. De kleine naar achter staande tandjes zorgen ervoor dat de buit niet kan ontsnappen (HEMMER 1966). De ringslang kan onder water de ooglens niet accommoderen wat betekent dat hij er slecht op zicht kan jagen (SCHAEFFEL & MATHIS 1991). In water zijn ringslangen jagend waargenomen met de kop boven water.

Skoczylas (1970) vond dat de vertering van kikkers bij 25°C ongeveer 60 uur duurt, afhankelijk van de grootte en de soort. Bij 5°C is er geen vertering, bij 15°C verloopt het zeer langzaam en stopt mogelijk. Bij 35°C verloopt de vertering hetzelfde als bij 25°C, of iets langzamer.

Schaarste aan voedsel kan de oorzaak zijn van gemiddeld kleinere dieren, zoals op een eiland waar wel watersalamanders maar geen padden en kikkers voorkwamen (MADSEN & SHINE 1993B).

Predatoren

Ringslangen vallen ten prooi aan een grote verscheidenheid aan vogels en zoogdieren. Van de vogels zijn vooral blauwe reiger, gaai, ekster en zwarte kraai, en roofvogels zoals buizerd en kiekendieven, belangrijke predatoren. Onder de zoogdieren komen egel, mol, vos, hermelijn, wezel, bunzing, das, otter, bruine rat en katten en honden in aanmerking als predatoren (BLACKWELL 1998, CUGNASSE 2001, ECKSTEIN 1993C, GüNTHER & VöLKL 1996C, HOFSTRA 2001, KABISCH 1970, MADSEN 1987A, SPELLERBERG 1975, STRIJBOSCH 1981B). Verder zijn er meldingen van gladde slang en forel die ringslangen op het menu hadden staan (EDER ET AL. 1988, STRIJBOSCH 1981B). Door hun geringe grootte kunnen juveniele ringslangen ten prooi vallen aan kippen, merels, spreeuwen, mussen, gewone padden, kikkers, spitsmuizen en loopkevers (BLACKWELL 1997, KABISCH 1999, STRIJBOSCH 1981B). Ringslang¬eieren worden gegeten door het merendeel van bovengenoemde zoogdieren en er zijn zelfs mieren waargenomen die eieren aanvraten (KABISCH 1999, STRIJBOSCH 1981B).

Bron

Auteur(s)

Delft, J.J.C.W. van, Wijer, P. de, Zuiderwijk, A.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieĆ«n en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.