Overslaan en naar de inhoud gaan

Zandhagedis Lacerta agilis

Foto: Dick Belgers

Indeling

Lacertidae [familie]
Lacerta [genus] (3/2)
agilis [soort]

Habitat

In Nederland is de zandhagedis sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. In het binnenland en in de kalkarme duinen wordt hij vooral aangetroffen in droge struikheideterreinen. In de kalkrijke duinen komen de meeste zandhagedissen voor in het open struweelduin.

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 2462 van de 18.175 waarnemingen voorzien van een habitatcodering (14%). Hieruit komen zeer duidelijk de duinen en ook de (droge) heide naar voren als voorkeurshabitat. Daarnaast komt de soort voor langs infrastructuur (weg- en spoorbermen) en op ruderaal terrein. Sporadisch worden ook bosranden en struweel gemeld. Er zijn slechts enkele waarnemingen bekend van de oevers van wateren, verhoudingsgewijs veel minder dan voor bijvoorbeeld de levendbarende hagedis. Zijn afkeer voor vocht komt ook tot uitdrukking door de afwezigheid in hoogveen, een voor veel andere reptielsoorten belangrijke habitat.

Als warmteminnende soort bestaat er een voorkeur voor zandige, naar het zuiden geëxponeerde hellingen, waar de temperatuur hoog kan oplopen. De zandhagedis is aangepast aan warme en droge omstandigheden en is goed in staat zijn vochtverlies te beperken (Marijnissen & Vergeer 1986).

De optimale habitat is een mozaïek van rijk gestructureerde dwergstruikvegetatie, afgewisseld met hogere grassen, ‘kale’ grond en plekken met open zand. De structuurdiversiteit is daarbij belangrijk: er bestaat een direct verband tussen de structuurdiversiteit van de vegetatie en de populatiedichtheid van de zandhagedis (Spellerberg 1988a). Overgangen tussen groepjes planten, maar ook tussen vegetatietypen, alsmede tussen landschapstypen bieden dekking en optimale mogelijkheden voor de temperatuurregulatie en het foerageren (Overleg duinhagedis 1999). Opvallend is dat deze voorkeur voor overgangen ervoor zorgt dat de hagedissen zich meestal niet in de dominante vegetatie-elementen van het landschap ophouden, maar juist in de overgangsstructuren naar afwijkende vegetatie-elementen (Brandjes & Groenveld 1995). Ook boomstronken, takkenbossen en het (micro)reliëf van de bodem dragen bij aan structuurvariatie.

In heideterreinen worden de hoogste dichtheden aangetroffen in structuurrijke heide. Dat betekent dat er een mozaïekvormige afwisseling is tussen kale, zandige plekken, jonge- en oude struikheide, met daaronder een dikke strooisellaag en opslag of takkenhopen met hier en daar pijpenstrootje of bochtige smele. Eenvormige en jonge heide is weinig geschikt (Krekels & Creemers 1997). Binnen dergelijke terreinen heeft de zandhagedis een voorkeur voor de nabijheid van struweel of bomen. Midden op uitgestrekte heidevelden is de dichtheid aan zandhagedissen vaak aanzienlijk lager dan aan de randen, waar meer beschutting biedende elementen voorhanden zijn.

In de kalkrijke duinen komen de meeste zandhagedissen voor in het open struweelduin. De voorkeurshabitat bestaat hier uit met duinriet vergrast duindoornstruweel, afgewisseld met lage grassen en open structuurelementen als (korst)mossen en zand (Brandjes & Groenveld 1995). In de buitenste duinrand nemen helmvegetaties een bijzondere plaats in. Wanneer de pollen hoog zijn en de planten flink verward raken, vormen zij een goede habitat. De structuur van het helmgras vormt dan een bijzonder goede bescherming tegen predatoren en wind. In zulke helmvegetaties in de zeereep komen de dieren vaak voor tot aan de grens met het strand. Open zand is in helmvegetaties vrijwel altijd aanwezig (Overleg duinhagedis 1999).

Ondanks dat hoge grassen een essentieel onderdeel van de habitat vormen, is gebleken dat vergrassing nadelig is voor zandhagedissen (Brandjes & Groenveld 1995, Strijbosch 1987). Wanneer vergrassing resulteert in een aaneengesloten grasmat van pijpenstrootje, bochtige smele of duinriet, verdwijnt alle benodigde structuur uit een leefgebied. Dat beperkt de mogelijkheden voor thermoregulatie, vluchten en mobiliteit. Tevens zorgt vergrassing voor het dichtgroeien van eiafzetplekken. Sterk vergraste terreindelen worden wel door jonge dieren benut (Beyloos & Van der Ven 1991). Mogelijk dat subadulte dieren tijdelijk genoegen nemen met dergelijke suboptimale habitats (Overleg duinhagedis 1999).

Stumpel (1988) toonde aan dat zandhagedissen in de bosgebieden op de Utrechtse Heuvelrug gebruikmaken van de dynamiek die wordt veroorzaakt door bosbouw. Jonge dennenaanplanten op kapvlakten in het bos blijven ongeveer tien jaar geschikt als zandhagedishabitat. Opslag of aanplant van vijf of zes jaar oud biedt de beste omstandigheden. Krekels & Creemers (1997) noemen open bos zelfs als de meest optimale habitat in de boswachterij van Kootwijk. In dat geval worden de structuurrijke overgangen van bos naar struikheide en de bermen langs zandpaden ook tot het open bos gerekend en bestaat de ondergroei uit struikheide en grassen, afgewisseld met lage bomen en open plekken. De zandhagedissen gebruikten de zandpaden voor de eiafzet. De dieren leken het stuifzandgebied te mijden.

Naast bovengenoemde habitats is de soort nog in andere landschapstypen en vegetaties aangetroffen. Van de Bund (1964) noemt onder andere spoorbermen, wegbermen, hakhoutwallen, zandafgravingen, tuinen en graslanden. Met uitzondering van spoorbermen en enkele niet meer in bedrijf zijnde zandafgravingen vormen deze habitats tegenwoordig echter een marginaal leefgebied. Ze worden vrijwel uitsluitend gekoloniseerd wanneer er een bos-, heide- of duingebied in de directe nabijheid is. Wegbermen en spoorbermen kunnen uitstekende habitats vormen. Dit is vooral het geval wanneer deze op een talud liggen of juist in het landschap verzonken zijn, waardoor er op één van de bermen een op de zon geëxponeerde zuidhelling ontstaat met daarop geschikte vegetaties. Spoorbermen vormen in Nederland zelfs de habitat met de hoogste dichtheden aan zandhagedissen (Van de Bund 1991, Zuiderwijk & Smit 1993). Buiten deze voorliefde voor bermen kan de zandhagedis als een echte cultuurvlieder beschouwd worden (Van de Bund 1964).

De zandhagedis heeft voor de ontwikkeling van de eieren een substraat nodig dat in een relatief korte tijd voldoende kan opwarmen. In Nederland voldoen alleen droge, zandige bodems hieraan (Lenders (HJR) 1990). Een goede eiafzetplek voor zandhagedissen moet voldoen aan de volgende criteria:

• Hij moet zijn gelegen in een lage vegetatie van dwergstruiken, op een droge, niet te humeuze, zandige plaats.

• De open plaats dient geheel onbegroeid te zijn, zonder struik- of boomgroei in de directe omgeving die de zon weg kan nemen.

• Het oppervlak dient vlak te zijn, of gelegen tegen een niet te steile zuidhelling.

• Een grootte van 1-2 m2 of groter voldoet (Strijbosch 1988a).

• Drie tot vier van dergelijke plekken per hectare volstaan (Overleg duinhagedis 1999).

Begeleidende soorten

Vooral hazelworm en levendbarende hagedis komen opvallend vaak voor in kilometerhokken met zandhagedissen. Dit geldt in mindere mate ook voor gladde slang en rugstreeppad. Het zijn soorten van open bos- en heidegebieden en de rugstreeppad ook van de duinen. Deze laatste soort heeft evenals de zandhagedis een voorkeur voor habitat met voldoende kaal zand. De zandhagedis is, evenals de gladde slang, in staat om ook in droge gebieden zijn vochthuishouding goed te reguleren en hij kan zich hier ook succesvol voortplanten. Dit in tegenstelling tot de levendbarende hagedis, die minder goed in staat is zijn vochthuishouding te reguleren (Lenders (HJR) 1990, Marijnissen & Vergeer 1986, Strijbosch & Creemers 1988). Door zijn uitgesproken voorkeur voor de droge delen van heideterreinen is de zandhagedis minder vaak samen met vochtminnende reptielensoorten als adder en ringslang aangetroffen. Bovendien komen beide laatstgenoemde soorten in een groot deel van zijn verspreidingsgebied, namelijk de duinen, niet voor.

De verspreiding van met name de groene kikkers vertoont weinig overlap met de verspreiding van de zandhagedis. Zij komen vooral voor in waterrijke landschappen op veelal voedselrijkere gronden.

Bron

Auteur(s)

Groenveld, A.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.