Overslaan en naar de inhoud gaan

Zandhagedis Lacerta agilis

Foto: Dick Belgers

Indeling

Lacertidae [familie]
Lacerta [genus] (3/2)
agilis [soort]

Beschrijving

De zandhagedis is een relatief zwaargebouwde hagedis met een vrij forse kop. Hij kan een totale lengte van circa 21 cm bereiken, maar blijft gewoonlijk iets kleiner. De totale lichaamslengte verschilt nauwelijks tussen de geslachten. Volwassen vrouwtjes hebben met maximaal 9,5 cm wel een grotere kop-romplengte dan de mannetjes (maximaal circa 8,5 cm), maar bij mannetjes is de intacte, primaire staart langer dan bij vrouwtjes (Elbing et al. 1996). De mannetjes zijn over het algemeen forser gebouwd, waarbij vooral de bredere kop opvalt. Bij het bereiken van de volwassenheid hebben de dieren een kop-romplengte van grofweg 5,5-7,5 cm en wegen dan 6-8 g. Uiteindelijk kunnen ze tot ruim 15 gram zwaar worden (Strijbosch 1981a). Het maximaal vastgestelde gewicht van een volwassen vrouwtje was 18,6 gram (Eisen 1955).

Bij zowel mannetjes als vrouwtjes loopt meestal een donkerbruine band over het midden van de rug, aan weerszijden begrensd door twee lichte strepen (dorsolaterale strepen) op de grens van rug en flank. Dit patroon loopt door op de bovenzijde van de staart. Zowel de rugband als de dorsolaterale strepen worden veelal onderbroken door een zeer variabel en ingewikkeld patroon van donkere en lichte vlekken en strepen. Dit patroon zet zich ook voort op de grijsbruine flanken en is individueel verschillend. Kenmerkend is de aanwezigheid van oogvlekken: crêmekleurige vlekjes die zijn omgeven door een donkerbruine tot zwarte rand. Midden op de rug bevindt zich vaak een patroon van dunne, lichte lengtestreepjes en vlekjes, dat een enkele keer een aaneengesloten lijn kan vormen. In de voortplantingstijd hebben de mannetjes een felgroene kleur op de kop en flanken, die bij het vrouwtje ontbreekt. Soms bevinden zich hierin enkele blauw gekleurde schubben. Buiten de voortplantingstijd verliest het mannetje de intens groene kleur, maar blijft meestal nog wel wat vaal olijfgroen. Vrouwtjes kunnen op de keel en bij de basis van de voorpoten soms geelgroenig zijn. De buik en keel zijn groenig van kleur bij de mannetjes en geelwit bij de vrouwtjes. De buikschubben zijn vooral bij de mannetjes vaak voorzien van kleine zwarte vlekjes, bij vrouwtjes komt dit in iets minder uitgesproken mate ook wel voor (Elbing et al. 1996).

Naast het bovengenoemde verschil in kleur en lichaamsverhoudingen tussen de geslachten, is de staartbasis van volwassen mannetjes gezwollen en is de onderzijde van de dijen voorzien van een rij vergrote femoraalporiën. Deze poriën produceren geurstoffen.

Juveniele zandhagedissen kenmerken zich door de oogvlekken die verspreid over het lichaam voorkomen, maar vooral op de flanken prominent aanwezig zijn. De grondkleur is grijsbruin of zandkleurig, vaak voorzien van een parelmoerglans. Vlak na de geboorte zijn de dieren nog weinig contrastrijk van kleur. Pas na enkele dagen wordt het vlekkenpatroon op de flanken duidelijk zichtbaar en nog later de dorsolaterale strepen. Subadulte dieren (na de eerste en tweede overwintering) lijken veel op vrouwtjes.

Herkenning

Het onderscheid met de levendbarende hagedis is soms moeilijk. Sommige levendbarende hagedissen kunnen wel eens groenig gekleurd zijn. Deze zorgen voor verwarring met zandhagedissen en zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de foute determinaties. Ook subadulte zandhagedissen worden door hun overeenkomstige lengte en het ontbreken van de groene kleur wel met volwassen levendbarende hagedissen verward.

Het meest in het oog springende kenmerk is het forse voorkomen van de zandhagedis, waarbij vooral de grote, zwaargebouwde kop opvalt. Daarnaast zijn bij de zandhagedis de schubben midden op de rug smaller en duidelijker gekield dan de schubben aan weerszijde daarvan, terwijl bij de levendbarende hagedis alle rugschubben ongeveer even breed zijn. Beide soorten hebben een getande halskraag.

Ook de juvenielen van de zandhagedis zijn forser gebouwd dan die van de levendbarende hagedis. Het lichaam heeft een grijzige tot zandkleurige grondkleur, vaak met veel oogvlekjes op de flanken en lichte dorsolaterale strepen. De juvenielen van de levendbarende hagedis zijn aanzienlijk donkerder bruin, vaak zonder enige tekening. De staart van een juveniele zandhagedis is nooit zo donkerbruin tot zwart als die van juveniele levendbarende hagedissen.

Verwarring tussen muur- en zandhagedis ligt in Nederland niet voor de hand, omdat beide soorten in Nederland niet samen voorkomen. De muurhagedis heeft een veel slanker, spitser en meer afgeplat postuur en heeft bovendien een gladgerande halskraag.

Zie ook de determinatiesleutels in Van Diepenbeek & Creemers (2006).

Bijzonderheden

Melanistische zandhagedissen zijn in Nederland zeldzaam. De gedocumenteerde gevallen zijn een eenjarig mannetje in 1937 in de omgeving van Driebergen (Van de Bund 1956), een adulte man van ‘de Veluwe’ in 1996 en een vierdejaars mannetje (Strijbosch & Verhoeven 1997), twee adulte mannetjes in 1997 (Strijbosch 1998) en een juveniel dier in 2000 (Janssen 2000b). De laatste vier waarnemingen zijn alle afkomstig van hetzelfde heideterrein in de omgeving van Deurne (nb). Op dat heideterrein werd in 1993 ook een volwassen mannetje gevonden met lichtblauwe flanken en een lichtblauwe buik (Strijbosch 1994). Deze kleurafwijking, cyanisme genoemd, is pas twee keer in Nederland vastgesteld: het genoemde geval en een waarneming uit 1994, uit de duinen van Zuid-Kennemerland (Keetman & De Vries 1994). Cyanistische dieren missen het gele pigment in hun huid. Omdat zowel cyanisme als melanisme op hetzelfde kleine geïsoleerde heideterreintje voorkomen, zijn deze kleurafwijkingen wellicht het gevolg van inteelt. De betreffende populatie bestaat uit minder dan 100 volwassen dieren en is genetisch geïsoleerd (Beyloos & Van der Ven 1991, Strijbosch 1998).

Andere pigmentafwijkingen zijn ook bekend, zoals het ontbreken van het zwarte pigment (Van de Bund 1956, Janssen 2000b) ook wel hypo- of a-melanisme genoemd, of het geheel ontbreken van de donkere pigmenten. In dat laatste geval blijft alleen de grondkleur van de rug over, zodat de vrouwtjes egaal zandkleurig zijn, terwijl de mannetjes effen groene flanken hebben met een egaal lichtbruine rug. Deze laatste afwijking werd door Van de Bund (1955) beschreven uit de omgeving van Wageningen en Rhenen en door Barrett (1999) uit de duinen bij Katwijk. In het Coepelduin, nabij deze laatste vindplaats, komen ook enkele dieren met dezelfde kleurafwijking voor (N. Aarts pers. med.). Iets zuidelijker, maar in hetzelfde duingebied als de waarnemingen van Barrett, werd ook al in 1949 melding gemaakt van mannetjes en vrouwtjes met deze afwijking (correspondentie H.E. van ’t Oever 1949). In de collectie van het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden bevinden zich enkele zandhagedissen met eenzelfde tekening, afkomstig uit de duinen bij Hoek van Holland. Deze dieren werden in 1960 door Rinus Hoogmoed verzameld. Hij vermeldde daarbij dat een aanzienlijk deel van de populatie daar uit deze kleurvariant bestond. Deze populatie geldt als uitgestorven. Blijkbaar is deze kleurafwijking een redelijk wijd verspreid verschijnsel in de duinen van Zuid-Holland, ten zuiden van Noordwijk.

Vorkstaarten (zie ook levendbarende hagedis) komen voor met een frequentie van één op de 1200 exemplaren (Strijbosch 1999a).

Blanke (2004) publiceerde een monografie over de zandhagedis.

Bron

Auteur(s)

Groenveld, A.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.