Overslaan en naar de inhoud gaan

Zandhagedis Lacerta agilis

Foto: Dick Belgers

Indeling

Lacertidae [familie]
Lacerta [genus] (3/2)
agilis [soort]

Inventarisatie

Van de Nederlandse reptielen is de zandhagedis één van de eenvoudigste soorten om te inventariseren (Werkgroep Monitoring 2002a). De beste periode om de soort te vinden is de voortplantingstijd. Dan zijn de mannetjes fel gekleurd en erg actief op zoek naar partners, terwijl ook de vrouwtjes zich goed laten zien tegen de tijd dat zij op zoek gaan naar een plekje om de eieren af te zetten. Het beste moment van de dag is de ochtend, wanneer de zon aan kracht begint te winnen. De dieren komen dan tevoorschijn, maar zijn nog niet warm genoeg om snel weg te vluchten. Tegen de tijd dat het echt warm begint te worden hebben de dieren hun voorkeurstemperatuur bereikt. Ze zijn dan veelal actief in de begroeiing en daardoor nauwelijks waarneembaar. Bovendien zijn ze goed opgewarmd en dus ook sneller. Vaak komen de dieren in de namiddag nog even zonnen in de laatste zonnestralen, waardoor ze dan nog een korte periode goed zichtbaar zijn (House et al. 1980).

Zandhagedissen kunnen ook geïnventariseerd worden door gericht te zoeken naar eiafzetplekken. Zeker wanneer geschikte eiafzetplekken schaars zijn, kan het de moeite lonen om op relatief warme dagen in de tweede helft van juni, dergelijke plekjes ’s ochtends vroeg of juist tegen de avondschemering op te zoeken. De vrouwtjes kunnen dan worden aangetroffen terwijl zij bezig zijn met het graven van een holletje of ze liggen in de opening van hun holletje uit te rusten. Op dezelfde plekken kan ook in de nazomer, van eind augustus tot eind oktober, gezocht worden naar juvenielen. Deze blijven vaak enige tijd aanwezig in de vegetatie rond de eiafzetplek, vaak zelfs tot in het volgende voorjaar (Groenveld 1997). Op de eiafzetplekken kan ook worden gezocht naar lege eischalen. Vaak zijn deze eidopjes voor een geoefend oog ook al boven op het zand te vinden. Zandplekjes afschrapen op zoek naar uitgekomen legsels kan vanaf eind oktober tot eind mei plaatsvinden (Keetman & De Vries 1994, Martens & Spaargaren 1988).

Naast zichtwaarnemingen zijn er in het verleden ook andere methoden gebruikt om zandhagedissen te inventariseren. Het gebruik van ingegraven vangemmers blijkt meestal geen succesvolle methode te zijn. De opbrengst is laag en er worden vrijwel geen dieren teruggevangen (Creemers 1986, Van Leeuwen & Van de Hoef 1976). In enkele Engelse studies lijkt het gebruik van stukjes golfplaat wel redelijk succesvol (Reading 1997), maar de opbrengst is toch lager dan tijdens transecttellingen. De temperatuur kan onder de plaatjes op zonnige dagen extreem snel oplopen, waardoor het te warm wordt voor de hagedissen. Soms gebruiken de hagedissen de plaatjes als zonneplateaus en gaan ze erop liggen.

Zandhagedissen zijn op grond van de rugtekening individueel te onderscheiden. Het fotograferen van deze rugpatronen maakt vangst-terugvangstonderzoek mogelijk (Barrett 1999, Smit & Zuiderwijk 1997).

Strijbosch (2008) beschrijft een eenvoudige methode om met een geringe inspanning vrij betrouwbare schattingen van een populatiegrootte te maken.

Bron

Auteur(s)

Groenveld, A.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.