Overslaan en naar de inhoud gaan

Levendbarende hagedis Zootoca vivipara

Foto: Marlies Bakker

Indeling

Lacertidae [familie]
Zootoca [genus] (1/1)
vivipara [soort]

Habitat

Gezien het enorme areaal van de levendbarende hagedis kan men bij deze soort een ruime habitatkeuze verwachten. In de zuidelijke delen van het areaal worden voornamelijk hooggelegen bergstreken bewoond, waarbij bovendien een voorkeur bestaat voor vochtige of zelfs natte habitats, terwijl de soort in noordelijkere streken ook in laagland voorkomt en daar zowel vochtige als droge habitats kiest.

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 5325 van de 28.442 waarnemingen voorzien van een habitatcodering (37%). Daarbij komen heide en hoogveen naar voren als voorkeurshabitat, met respectievelijk 58% en 21% van alle waarnemingen. De soort komt ook voor langs infrastructuur (spoorlijnen en wegbermen), bij bos en struweel en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op venoevers en ook wel langs lijnvormige wateren (Geraeds 2006). Er zijn ook enkele waarnemingen bekend uit laagveen.

De score voor ‘infrastructuur’ mag dan niet hoog zijn, de aanwezigheid in bermen langs wegen en spoorlijnen, op taluds van dijken en op de oevers van kanalen, vaarten en sloten is wel van grote betekenis. Hiermee kunnen namelijk populatienetwerken in stand gehouden worden in een versnipperd landschap als het onze, met grote gebieden waarin geen of nauwelijks hagedissen voorkomen. Dat zijn met name de zuiver agrarische gebieden en half-natuurlijke graslanden. Vooral het agrarisch landschap wordt zeer intensief gebruikt door de mens en de bodem is er zo verrijkt, dat een eventueel overhoekje onmiddellijk dichtgroeit met hoogopschietende kruiden, die bewoning door zonminnende hagedissen onmogelijk maken. Tot voor kort leefden ook daar hagedissen en hier en daar worden ze er in de randen ervan ook nu nog aangetroffen, bijvoorbeeld zonnend op weipaaltjes. Ook in halfnatuurlijke graslanden en ruigten kan de levendbarende hagedis voorkomen. (Donker 1999, Van Erve 1996, Geraeds 2001, 2006, Lenders 2001, Van den Munckhof 1982, Tilmans 1998).

De zeeduinen zijn in ons land nauwelijks bezet door de levendbarende hagedis. Dat kan te maken hebben met het dynamische, extreem droge karakter van dit landschapstype (vergelijk de bijna afwezigheid op stuifzanden in het dicht bezette heidelandschap), maar ook kan de ligging van de laagveen- en getijdengebieden, die in ons land vrijwel geheel gemeden worden door deze soort, hierbij een barrièrefunctie uitoefenen.

De macro- en microhabitat van de levendbarende hagedis zijn in Nederland ook in detail onderzocht (Strijbosch 1988b, 2001). Hierbij kwam op macroniveau de vochtige heide, inclusief venoevers, als veruit de belangrijkste habitat naar voren. Een goede tweede was de droge heide, op enige afstand gevolgd door hoogveen. Alle andere macrohabitats werden aanzienlijk minder tot helemaal niet bewoond. De vierde in serie bleken de randen van natte wilgen- en elzenbosjes te zijn, gevolgd door houtwallen en wat ruigere oeverbegroeiingen. Ook randen van boerenerven en boomgaardjes daarbij bleken bewoond te worden, zij het marginaal. Hetzelfde gold voor halfnatuurlijke graslanden en sporadisch zelfs voor echte weilanden. Onbewoond bleken akkers en dichte bossen.

Uit de studie naar de microhabitatkeuze, uitgevoerd in hetzelfde terrein, kwam in de vochtige heide een keuze naar voren voor die stadia, waarin pijpenstrootje in ruime mate voorkwam en met name daar waar ook sprake was van enige opslag van geïsoleerde berken en/of dennen. Het optimum in de droge heide ligt in de oude, structuurrijke heide, waarin eventueel al de eerste pioniers van het bosstadium aanwezig zijn.

Omdat op de heide een duidelijke voorkeur bestond voor de nabijheid van geïsoleerde struiken of bomen, is ook een eventuele voorkeur voor de verschillende soorten in deze opslag bekeken. Hieruit bleek dat struiken meer aantrekkingskracht uitoefenden dan bomen. Bij de struiken bleek de ijlgroeiende brem meer gewaardeerd te worden dan dichtere loofstruiken als vuilboom e.d., die op hun beurt weer meer waarnemingen opleverden dan de nog dichtere braamstruiken. Bij de geïsoleerde bomen deden berken het beter dan dennen en deze weer beter dan eiken. Onder berken bleek de heidevegetatie dan ook tot de stamvoet te groeien, bij dennen was dit aanzienlijk minder het geval en rondom de stam van eiken groeide in het geheel geen heide meer.

In al deze gevallen van opslag gaat het waarschijnlijk om de extra structuurvariatie die erdoor in de vegetatie ontstaat. Dat mag blijken uit het feit dat oude boomstobben of stapeltjes oud hout of takken eenzelfde concentrerend effect op de levendbarende hagedis bleken uit te oefenen.

Begeleidende soorten

Alle amfibieën- en reptielensoorten kunnen gezamenlijk met de levendbarende hagedis worden aangetroffen. De levendbarende hagedis is dan ook de reptielensoort met de wijdste verspreiding in Nederland en bovendien de breedste habitatkeuze. Belangrijke karakteristieke begeleiders zijn heikikker, hazelworm en adder. Het zijn soorten die vooral worden aangetroffen in (vochtige) heiden en hoogveen, maar ook in open bosgebieden. De levendbarende hagedis komt bijna overal in zijn Europese verspreidingsgebied samen met de adder voor. Dat gaat in Nederland niet altijd op, omdat de adder meer ruimte nodig heeft om te overleven en daardoor afwezig is op veel plekken waar de levendbarende hagedis wel ruimte genoeg heeft. Bovendien zijn grote delen van het areaal van de levendbarende hagedis in Nederland niet bezet door de adder, zoals Noord-Brabant en delen van Limburg. Ook de gladde slang heeft grote gebieden nodig.

Het samen voorkomen van levendbarende hagedis en zandhagedis is uitgebreid onderzocht. Zulke mengpopulaties kunnen alleen stabiel zijn wanneer de habitat een mozaïek van drogere en vochtigere plekjes en een ruim voedselaanbod heeft. Het samen voorkomen met ‘concurrerende’ amfibieën als heikikker en soms rugstreeppad wordt mogelijk gemaakt door scheiding in voedselkeuze en dagritmiek (Glandt 1977, 1979, Möller 1996, Strijbosch 1986, 1992, Strijbosch & Creemers 1988).

Bron

Auteur(s)

Strijbosch, H.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.