Overslaan en naar de inhoud gaan

Levendbarende hagedis Zootoca vivipara

Foto: Marlies Bakker

Indeling

Lacertidae [familie]
Zootoca [genus] (1/1)
vivipara [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieWaarnemingen overzicht 2002
ExpertCreemers, R.C.M. (RAVON)

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: RAVON, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

statusInheems (1a)
habitatland
referentieRAVON 2004
expertJeroen van Delft (RAVON)
status sinds 1982Nog te bepalen

Areaal

De levendbarende hagedis heeft veruit het grootste areaal van alle Europese reptielen (m.u.v. sommige zeeschildpadden). Het strekt zich uit van Ierland in het westen tot op Sachalin (Rusland) in het oosten en van het Cantabrisch Gebergte in Spanje, de Povlakte in Italië en het Rhodopigebergte in Bulgarije in het zuiden tot ver boven de poolcirkel in Lapland in het noorden. Hierdoor is deze hagedis het noordelijkst voorkomende reptiel op aarde. Doordat de soort ontbreekt in een brede strook vanaf de Atlantische kust in Midden-Frankrijk zuidelijk langs het Centraal Massief tot aan de kust van de Middellandse Zee, is het zuidwestelijke deel van het areaal, bestaande uit het Cantabrisch Gebergte en de Pyreneeën, geïsoleerd van de rest (Heulin & Guillaume 1989). Dat deel wordt bewoond door een eierleggende vorm van de levendbarende hagedis die een eigen evolutie gekend heeft (Heulin et al. 1999). Onlangs zijn ook eierleggende populaties ontdekt in Slovenië, Zuid-Oostenrijk en Noord-Italië, die inmiddels als de aparte ondersoort Zootoca vivipara carniolica zijn beschreven (Mayer et al. 2000; Surget-Groba et al. 2002).

De morfologische variatie is zo gering dat in het verleden beschreven ondersoorten door modernere taxonomen niet als zodanig erkend worden (Dely & Böhme 1984). Een uitzondering zou gemaakt kunnen worden voor de uit Oost-Europa beschreven Z. v. pannonica en de recent beschreven Midden-Europese eierleggende vorm Z. v. carniolica (Lác & Kluch 1968, Mayer et al. 2000).

Verspreiding in Nederland

De levendbarende hagedis komt voor in vrijwel alle zandige (en löss-)districten in Nederland. De soort is aanwezig op de Zeeuwse eilanden en vervangt daar in de duinen de zandhagedis. Op Terschelling komen beide soorten gezamenlijk voor, maar in de rest van het duindistrict komen alleen zandhagedissen voor. Het Veluws-Drents en Kempens district vormen, vooral door hun grote oppervlakte aan bos en heideterreinen, de belangrijkste bolwerken.

Voor 1971

In deze periode tekenen de hoofdlijnen van de verspreiding zich al duidelijk af. De levendbarende hagedis komt vrijwel uitsluitend voor op de pleistocene zandgronden. Hierbuiten worden slechts Terschelling en enkele delen van Zeeland bewoond. In alle regio’s waar de soort later wordt aangetoond, worden in deze periode ook al waarnemingen verzameld. Dat is inclusief de geïsoleerde, marginale vindplaatsen zoals Terschelling, Gaasterland, Groningen en Zeeland. Enkele locaties vallen op door hun sterk geïsoleerde ligging en doordat er later nooit meer waarnemingen zijn gedaan. Dit zijn vooral enkele hokken in Midden-Friesland en Midden-Groningen, Amsterdam en de omgeving van Cadzand in Zeeuws-Vlaanderen. Hier moet de levendbarende hagedis als verdwenen worden beschouwd. De aanwezigheid bij Amsterdam (waarnemingen uit de periode 1910-1917) wordt door Bergmans & Zuiderwijk (1986) in verband gebracht met de oude bedijking van de Zuiderzee, die een verspreidingsroute vanuit het Gooi geweest kan zijn. Ook van het voormalige eiland Wieringen in de kop van Noord-Holland is een waarneming uit 1916 bekend.

1971-1995

In deze periode wordt het verspreidingspatroon verder verfijnd. Uit enkele gebieden komen voor het eerst waarnemingen binnen, waarbij het gebied de Regulieren in de Betuwe bijzonder opvalt (1975). De waarneming van de Regulieren is nooit meer bevestigd. De waarnemingen in het westen van Friesland zijn gesitueerd op de zandopduiking van Gaasterland en op de zandige gronden aan de voormalige Friese Zuiderzeekust.

1996-2007

In de meest recente atlasperiode vindt een verdergaande verfijning van het verspreidingspatroon plaats. In de meeste provincies kent deze hagedis nog altijd een ruime verspreiding en alleen in Zuid-Holland en Flevoland ontbreekt de soort. Groningen en Zeeland herbergen de meest kwetsbare populaties van de levendbarende hagedis (Krekels et al. 1999, Musters 2007). De populaties zijn relatief klein en (vrijwel) volledig geïsoleerd van de grote populaties in respectievelijk Drenthe en Duitsland en Noord-Brabant en België. Opvallend is dat de soort in de Belgische duinen en op de Duitse Waddeneilanden een ruime verspreiding kent.

Bergmans & Zuiderwijk (1986) geven uitvoerig weer op welke manieren de soort de Zeeuwse eilanden, en ook Terschelling, gekoloniseerd zou kunnen hebben. Daarbij gaat men ver terug in de geschiedenis, toen er nog zandige verbindingen en veengebieden aanwezig waren op plaatsen waar later klei werd afgezet of die nu onder het zeewater zijn verdwenen.

In de recente periode ontbreken met name waarnemingen uit hokken aan de randen van het Nederlandse verspreidingsgebied. Dat is onder andere te zien in Zeeland (Krekels et al. 1999), de noordwestrand van het Brabantse verspreidingsgebied, de randen van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe, het westen van de Friese verspreiding en aan de zuid- en zuidoostrand van de Drentse verspreiding. Waarnemingen uit hokken waarvan de soort nooit eerder was gemeld komen vooral uit Overijssel, de Achterhoek en Oost-Groningen. Met name Overijssel en Oost-Groningen worden in deze periode echter beter geïnventariseerd. Markant is het ontbreken van de levendbarende hagedis op de stuwwal bij Nijmegen. Hier is de zandhagedis ruim verspreid en komen ook hazelworm en gladde slang voor. Deze stuwwal is lange tijd zo open en droog geweest dat de levendbarende hagedis is teruggedrongen naar de nattere en meer beboste aangrenzende gebieden rond Groesbeek en in Duitsland (Strijbosch 2005).

Trend

Lange termijn

De levendbarende hagedis staat op de Rode Lijst in de categorie ‘gevoelig’. De soort is ten opzichte van de referentieperiode (de periode voor 1950) met 51% afgenomen (van delft et al. 2007). Belangrijke oorzaken voor de achteruitgang zijn de grootschalige ontginning van heide en hoogveen en de bebossingen met naaldhout geweest. De intensivering van het grondgebruik deed allerlei voedselarme terreintjes verdwijnen. Vroeger werd de soort bijvoorbeeld gevonden op erven, akkerranden, wegbermen en braakliggende terreinen. Dat komt nu nauwelijks nog voor.

Recente ontwikkeling

De levendbarende hagedis is de enige soort met een matige afname binnen de periode van de reptielenmonitoring (1994-2007). In Friesland en Drenthe is de trend min of meer stabiel en op Terschelling neemt de soort zelfs toe. De situatie in Utrecht en op de Veluwe is het ongunstigst, maar ook in Noord-Brabant en Limburg zijn de aantallen dieren bijna gehalveerd (Werkgroep Monitoring 2008a).

Populaties gaan verloren door habitatversnippering, verdroging en versnelde vegetatiesuccessie vanwege eutrofiëring (Van Delft & Kuenen 1998, Van Strien et al. 2007, Strijbosch & Van Gelder 1997). Hierbij treedt de versnippering als initiator op, waarna in de overgebleven habitatsnippers meestal het versneld dichtgroeien met hoge en dichte vegetaties de genadeklap geeft. Ook verdroging beïnvloedt deze soort sterker dan bijvoorbeeld de zandhagedis (Marijnissen & Vergeer 1986, Strijbosch 1986). Ongunstig beheer zoals te grootschalig plaggen en overbegrazing kan gemakkelijk tot het verdwijnen van hagedissenpopulaties leiden (Strijbosch 1999b).

Bron

Auteur(s)

Strijbosch, H.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.