Overslaan en naar de inhoud gaan

Adder Vipera berus

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Viperidae [familie]
Vipera [genus] (2/1)
berus [soort]

Beschrijving

De adder is een relatief zwaargebouwde gifslang met een verticale pupil, een korte, stompe staart en een duidelijk van de romp te onderscheiden kop. Volwassen vrouwtjes zijn 39-78 cm lang (gemiddeld 58 cm) en volwassen mannetjes 35-67 cm (gemiddeld 54 cm) (gegevens Werkgroep Adderonderzoek Nederland). Het gewicht is afhankelijk van de leeftijd, de conditie en het seizoen. Bij vrouwtjes is het gewicht tevens sterk afhankelijk van de tweejarige voortplantingscyclus. Nadat de vrouwtjes jongen hebben gekregen, zijn ze tot aan het daaropvolgende voorjaar erg mager. Volwassen vrouwtjes (alleen vrouwtjes tot en met juni) wegen 61-222 g (gemiddeld 106 g), volwassen mannetjes 45-131 g (gemiddeld 70 g) (gegevens Werkgroep Adderonderzoek Nederland). Bij pasgeboren adders zijn er geen verschillen in gewicht tussen mannetjes en vrouwtjes geconstateerd (Petzold 1980).

Buitenlandse studies geven een grote spreiding in gewichten en maten aan. De gegevens van de Nederlandse adders vallen binnen deze range. Adders uit het laagland zijn gemiddeld groter dan de dieren die in middel- en hooggebergtes voorkomen (Schiemenz 1985).

De kleur is zeer variabel en deels afhankelijk van het geslacht. Mannetjes hebben veelal een grijze tot beigeachtige grondkleur. Bij vrouwtjes is deze grondkleur beige tot (rood)bruin. Op de rug is bij beide geslachten een duidelijke donkere lijn of zigzagstreep aanwezig en op de flanken een rij donkere vlekken. De rugstreep en de flankvlekken zijn bij mannetjes donkerder en contrasteren sterker met de grondkleur dan bij vrouwtjes. Op de kop is vaak een patroon van donkere vlekken aanwezig. Op de achterzijde van de kop vormen deze vlekken gewoonlijk een X-, Y-, V-, of O-vormige figuur. De buik is meestal donker gekleurd, variërend van grijs tot bruin tot zwart en is soms gespikkeld of gevlekt. De onderzijde van de staart eindigt veelal in een gele, oranje of rode kleur. In sommige gebieden is ook de laatste 2-3 cm van de bovenzijde van de staart gekleurd. De betekenis staat niet vast, maar het zou een rol kunnen spelen bij ‘caudal luring’, het vermogen van sommige slangen om hun staartpunt snel heen en weer te bewegen om zo prooidieren te lokken. Dat gedrag is van enkele verwante soorten bekend (Heatwole & Davidson 1976, Henderson 1970).

Bij juveniele adders is het geslachtsverschil op basis van kleur niet zo duidelijk als bij adulte dieren. Juveniele mannetjes worden soms bruin geboren en veranderen na enkele jaren van kleur.

Geslachtsonderscheid op basis van kleur kan in verschillende gebieden moeilijkheden opleveren. In de Meinweg zijn vrijwel alle mannetjes beige en de vrouwtjes roodbruin. In het Dwingelderveld daarentegen vertoont een groot deel van de mannetjes en vrouwtjes een zelfde donkerbeige kleur. Het geslacht is dan alleen vast te stellen via andere kenmerken. Mannetjes zijn slanker dan vrouwtjes, de kop is langer en de bovenlipschilden zijn lichter. Verder hebben mannetjes een langere staart en de staartwortel is verdikt door de daarin liggende hemipenes.

Diverse morfologische kenmerken van Nederlandse adders, zoals gewicht, lichaamslengte, relatieve koplengte en -breedte blijken gebiedsafhankelijk (Van Hoof & Dorenbosch 2000).

Bijzonderheden

In Nederland zijn 53 waarnemingen bekend van zwarte adders uit de periode 1995-2006 (gegevens Werkgroep Adderonderzoek Nederland). Deze waarnemingen komen vooral uit de provincie Drenthe (50 exemplaren). Zwarte adders worden in Europa voornamelijk aangetroffen op grotere hoogte (>500 m) en in de noordelijkste gedeelten van het verspreidingsgebied. Er is een verband tussen melanisme en klimaatfactoren. Drenthe ligt aan de ondergrens van het zogenoemde ‘boreale’ gebied (Barkman & Westhof 1969). Deze klimaatgordel kenmerkt zich door lagere temperaturen en een daaraan aangepaste flora en fauna. Dat is de belangrijkste verklaring waarom er in Nederland vrijwel geen zwarte adders worden aangetroffen zuidelijker dan Drenthe. Geen van de in Nederland aangetroffen adders is geheel zwart. De bovenlipschilden zijn bruin of wit, de buikschilden zijn grijs of bruinachtig en het oog is donkerrood. Ook is er soms op de rug zeer vaag nog enige tekening te zien. De dieren hebben een rood-zwarte of blauw-zwarte kleur. Ze zijn partieel melanistisch. Partieel melanistische adders worden meestal ‘normaal’ gekleurd geboren, vaak wel donkerder. De zwarte kleur nemen ze pas na enkele jaren aan (Brodmann 1987).

In Zuid-Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk komen op grotere hoogte wel totaal melanistische adders voor, waarbij zelfs het oog zwart is. Zwarte adders zijn groter dan hun ‘normaal’ gekleurde soortgenoten (Andrén & Nilson 1981, Monney et al. 1995).

Trutnau (1981) schrijft dat er zeer zeldzaam albinistische adders worden aangetroffen. Deze zullen vrijwel nooit volwassen worden, omdat ze een grotere kans lopen gepredeerd te worden. Naast totaal melanistische en albinistische adders worden er zeer zeldzaam ook andere tekeningsloze kleurvormen aangetroffen. Een voorbeeld hiervan is de zogenaamde koper- of vuuradder, welke geheel koperrood gekleurd is (Bruno 1985). Een andere zeldzaamheid zijn adders met een ronde pupil. Dat zou moeilijkheden kunnen geven bij de determinatie (Brodmann 1972, Pedro Janssen pers. med.).

Afwijkende buikschubben komen veel voor bij adders. De buikschubben lopen dan niet helemaal door tussen de flanken. Dit resulteert in zogenoemde ‘halve’ buikschubben. Het percentage adders met afwijkende buikschubben verschilt tussen populaties (Dorenbosch & Van Hoof 2000). Merilä et al. (1992) zien een verband tussen afwijkende buikschubben en een verarmde genetische variatie. In een genetisch onderzoek, dat is uitgevoerd door de Werkgroep Adderonderzoek Nederland, is het verband tussen inteelt en afwijkende buikschubben binnen Nederlandse adderpopulaties niet aangetoond (Janssen in prep.).

Bron

Auteur(s)

Hoof, P.H. van, Janssen, P.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.