Overslaan en naar de inhoud gaan

Adder Vipera berus

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Viperidae [familie]
Vipera [genus] (2/1)
berus [soort]

Jaarritmiek

Van de inheemse slangen komen de mannetjes van de adder als eerste uit de winterverblijven. In de meeste gevallen gebeurt dat begin maart, maar soms ook al eind februari. Eén tot drie weken later volgen de vrouwtjes en de subadulte adders. Het ontwaken van de adders uit de winterslaap is afhankelijk van de bodem- en luchttemperatuur en de expositie van het winterverblijf in het terrein. Waarschijnlijk speelt ook een hormonale component een rol. De eerste weken besteden de mannetjes veel tijd aan het zonnen, ter voltooiing van de spermatogenese. Ze eten niet in deze periode. In de tweede helft van april wordt de zonperiode afgerond met het vervellen van de mannetjes. Daarna begint de paartijd, waarbij mannetjes actief op zoek gaan naar vrouwtjes. Hierbij kunnen de dieren afstanden van enkele honderden meters per dag afleggen (Andrén 1986, Viitanen 1967). De mannetjes volgen de geurspren van vrouwtjes. Na de paartijd verspreiden alle adders zich over hun zomerhabitat. In de warme zomermaanden worden relatief weinig dieren waargenomen. De mannetjes en de dieren die niet aan de voortplanting deelnemen, voeden zich in deze periode om zo de vetreserves op te bouwen voor de volgende winter en het daarop volgende voortplantingsseizoen. Het gewichtverlies in de winter bedraagt 1-16% bij volwassen dieren (Schiemenz 1985).

De adder is eierlevendbarend. De vrouwtjes hebben in Nederland, evenals in het grootste deel van Europa, een tweejarige voortplantingscyclus. Drachtige vrouwtjes zoeken meestal vaste zonplaatsen op om daar de embryo’s te laten ontwikkelen. Deze zonplaatsen worden vaak meerdere jaren achtereen gebruikt. Vanaf eind augustus trekken de drachtige vrouwtjes richting de winterverblijven (hibernacula). De jonge adders worden vervolgens in de buurt van de winterverblijven geboren. Dat gebeurt vanaf augustus, maar vooral in september. Direct na de geboorte vervellen de jonge slangen. Afhankelijk van temperatuur, lichtintensiteit en daglengte gaan adders meestal in oktober in winterslaap. Een populatie gebruikt meestal gedurende tientallen jaren dezelfde winterverblijven (Phelps 1978, Presst 1971).

Legselgrootte, groei en leeftijd

Het aantal jongen is afhankelijk van de grootte van het vrouwtje en bedraagt 4 tot 15. Juveniele adders zijn bij de geboorte 14-18 cm lang en wegen 3-4 g. De jongen vervellen voor de eerste maal binnen enkele minuten tot uren na de geboorte. Binnen enkele dagen tot weken eten de jonge adders voor het eerst.

Mannetjes zijn geslachtsrijp in hun vierde levensjaar, bij een lengte van circa 35 cm. Vrouwtjes worden voor het eerst drachtig in hun vijfde of zesde levensjaar, bij een lengte van ongeveer 39 cm (Völkl & Thiesmeier 2002; gegevens Werkgroep Adderonderzoek Nederland). Günther (1996) vermeldt een maximale leeftijd van 10-15 jaar. In een langlopend populatieonderzoek in Zuid-Engeland werd een maximale leeftijd van circa 30 jaar vastgesteld (Phelps 2004).

Voedsel

Kleine zoogdieren vormen het belangrijkste voedsel van volwassen adders. Het menu wordt bepaald door het lokale aanbod. Het merendeel betreft spitsmuizen, woelmuizen en echte muizen. In vochtige leefgebieden zijn ook heikikkers en bruine kikkers belangrijke prooidieren. Kleine watersalamanders worden soms ook gegeten (André Donker pers. med.). Hagedissen worden wel gegeten, maar vormen nooit een belangrijk aandeel in het totale voedselpakket van volwassen adders. Soms worden ook vogels, vogeleieren en insecten gegeten. Vermeldenswaardig is de waarneming van een adder die zich te goed deed aan een dode vogel zonder kop en ingewanden (Nijhof 1998).

Jonge adders tot anderhalf jaar oud voeden zich voornamelijk met jonge muizen, kikkers en hagedissen. Juveniele adders eten in bepaalde gebieden ook veel ongewervelde dieren. (Hordies & Van Hecke 1985, Luiselli et al. 1995, Presst 1971).

Volwassen adders eten circa zes tot tien prooien per jaar. Uitzondering daarop vormen de drachtige vrouwtjes die in het jaar dat ze drachtig zijn slechts enkele prooidieren eten.

Predatoren

Vooral in het voorjaar lopen adders een groot risico om gepredeerd te worden. De dieren zonnen dan veel, terwijl de vegetatie nog laag is (Presst 1971). In deze periode worden, na de eerste vervelling, meer addermannetjes gegrepen dan vrouwtjes. Deze zijn dan actief op zoek naar vrouwtjes en vallen daardoor op (Andrén 1985). In een literatuurstudie geeft Strijbosch (1981b) een opsomming van 27 inheemse vogels, 18 zoogdieren en acht overige dieren of diergroepen waarvan is aangetoond dat ze in de vrije natuur of tijdens experimenten adders eten.

De buizerd geldt in Nederland als de voornaamste adderpredator onder de vogels. Ook van blauwe reiger, bosuil, ekster en raaf is bekend dat ze met enige regelmaat (meestal jonge) adders eten. De gladde slang is het enige reptiel dat wel eens een adder eet.

Onder de zoogdieren zijn egel en bunzing de belangrijkste predatoren. Daarnaast staat bij vos, das en wild zwijn wel eens een adder op het menu. Bij de overige zoogdieren gaat het om incidentele waarnemingen die meestal betrekking hebben op juveniele adders. Aangezien zoogdieren, in tegenstelling tot adders, veelal ’s nachts actief zijn, vormen zij nauwelijks een bedreiging voor adderpopulaties. Van wilde zwijnen en bruine ratten is bekend dat zij ook tijdens de overwintering adders prederen.

Opmerkelijke en incidentele predatoren van (jonge) adders zijn onder meer de gewone pad, groene kikkers, snoek, paling en grotere loopkeversoorten (Carabus spec.).

Melanistische adders vallen meer op dan normaal gekleurde soortgenoten. Zij worden ongeveer twee keer zo snel gepredeerd. Daartegenover staat dat ze sneller opwarmen en daardoor minder tijd aan predatie bloot staan (Andrén & Nilson 1981).

Gedrag

In de paartijd is soms de adderdans waar te nemen. Tijdens dit schijngevecht strijden twee mannetjes met elkaar om uit te maken wie met een in de buurt liggend vrouwtje kan paren. Tijdens de adderdans richten de beide mannetjes zich op en strengelen zich om elkaar heen, waarbij ze proberen de tegenstander naar beneden te drukken en zelf de kop hoger te houden dan die van de rivaal. Aangezien adders zich hoger op kunnen richten naarmate ze groter worden, wint het grootste dier meestal het gevecht. Vaak is alleen dreigen, door het verticaal oprichten van het voorste deel van het lichaam, voldoende om de rivaal te verjagen. Het merendeel van de adderdansen duurt maximaal zes minuten en de dieren bijten elkaar tijdens deze schijngevechten nooit (Andrén 1986, Madsen et al. 1993).

In de paartijd vinden de mannetjes de vrouwtjes door geursporen te volgen. Op een afstand van circa 2 m neemt het mannetje een vrouwtje waar. Hij benadert haar dan al tongelend. Ook het eerste contact gebeurt tongelend, waarbij door beide dieren met de staart wordt getrild. Na enige tijd begint het mannetje al schokkend langs het vrouwtje te bewegen. Na enkele minuten tracht het mannetje met één van zijn beide hemipenes de copulatie tot stand te brengen. Meestal zoekt het vrouwtje vervolgens beschutting op, het mannetje met zich mee sleurend. De paring duurt ongeveer twee uur (Andrén 1986).

Vrouwelijke adders paren meerdere malen met verschillende mannetjes. Dat heeft als voordeel dat er spermacompetitie plaatsvindt in de vrouwelijke voortplantingsorganen, waardoor een groter deel van de eicellen wordt bevrucht door genetisch superieure mannetjes. Dat vergroot de levensvatbaarheid van de nakomelingen (Madsen et al. 1992).

Foeragerende adders gebruiken de zit-en-wachtstrategie. Ze liggen vaak onder overhangende vegetatie te wachten tot een prooi passeert. Komt deze binnen bereik, dan slaat de adder met een snelle gifbeet toe. De prooi wordt niet vastgehouden, maar er wordt afgewacht totdat deze bezwijkt. Vervolgens volgt de slang het geurspoor van de prooi, die vaak nog enige afstand heeft afgelegd. De adder besnuffelt zijn prooi om de kop te vinden en verslindt deze dan in zijn geheel. Een enkele keer gebruikt de adder een actieve jachttechniek, waarbij de prooi achtervolgd wordt.

Bij verstoring zal een adder altijd eerst proberen te vluchten. Alleen als dat niet mogelijk is neemt het dier een dreighouding aan. Hierbij wordt het voorste derde deel van het lichaam in een S-vorm gehouden, om snel te kunnen toeslaan. Ook zal een adder vaak sissen als waarschuwing. Bij verstoring kan de adder bijten, hoewel hij ook kan toestoten met een gesloten bek. Een adderbeet is voor mensen zelden dodelijk, maar leidt in de regel wel tot tal van onaangename verschijnselen die beslist niet onderschat mogen worden (zie kader ‘Gifapparaat, gif & beet’).

Verplaatsingen

Grote verplaatsingen vinden bij adders plaats na de overwintering door subadulte dieren en niet-reproductieve vrouwtjes en na de voortplanting ook door mannetjes. Het gaat hier om dieren die hun zomerhabitat opzoeken. Ook in de voortplantingstijd leggen mannetjes relatief grote afstanden af tijdens hun zoektocht naar vrouwtjes. De maximale afstanden die bekend zijn (tabel 2), zijn ruim 3 km in Nederland (Hijkerveld; gegevens Werkgroep Adderonderzoek Nederland), 1500 m in Vlaanderen (Claus 1993) tot maximaal 1900 m in andere delen van Europa (Presst 1971). Afstanden van 1-3 km als kolonisatieafstand voor nieuwe leefgebieden lijken een reële maat. Adders kunnen in een uur tientallen tot honderden meters afleggen.

Water is geen onoverkomelijke barrière voor de adder. Zo werden in de Meinweg enkele malen adders waargenomen die een ven overzwommen (Peter Keijsers pers. med.). In Zuid-Duitsland werden in het voorjaar adders waargenomen die in ijskoud smeltwater zwommen (Lehnert & Fritz 1993). Kampf (1984) nam een adder waar die de zee in kroop. Forsmann & Lindell (1997) stelden in Zweden uitwisseling tussen populaties op verschillende eilanden vast.

Gifapparaat, gif en beet

Onderstaande gegevens zijn gebaseerd op het protocol dat is opgesteld ter behandeling van adderbeten, door een samenwerkingsverband van het Havenziekenhuis, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu/Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum en de Werkgroep Adderonderzoek Nederland van ravon (Havenziekenhuis et al. 2006).

Gifapparaat

Adders behoren tot de solenoglyfen. Dat zijn de gifslangen die het hoogst ontwikkelde gifapparaat bezitten. Deze gifslangen hebben twee scharnierende holle giftanden in de bovenkaak, die bij het openen van de bek rechtop gaan staan. Achter de functionele giftanden staat een aantal reservetanden klaar in verschillende ontwikkelingsstadia. Zo kan de adder regelmatig van tanden wisselen. Bij gesloten bek liggen de tanden achterwaarts teruggeklapt tegen het gehemelte aan. Tijdens het openen van de bek wordt door twee spieren een aantal beenderen in de bovenkaak in beweging gebracht, waardoor de tanden worden opgericht. Deze spieren en beenderen kunnen bij het openen van de bek ook in rust blijven, zodat de tanden niet onnodig worden opgericht. Door spierwerking wordt ook het gif uit de gifklieren door de tanden heen geperst, zodat het diep in het prooidier kan worden gespoten. De gifklieren zijn evolutionair ontstaan uit speekselklieren, wat verklaart dat het gif ook een rol speelt bij de vertering van voedsel.

Gif

Het gif van de adder is een kleurloze tot lichtgele, iets visceuze vloeistof. Het behoort tot de toxalbuminen en is samengesteld uit een mix van hoofdzakelijk enzymen, non-enzymatische eiwitten, catecholaminen (neurotransmitters), serotoninen en vetten. Het werkt voornamelijk in op het bloed, de bloedsomloop en het hart en heeft opvallende lokale weefselvernietigende effecten.

Het gif bestaat onder andere uit de volgende werkzame componenten (Schiemenz 1985):

  • Haemorragine: vernietigt de bloedvatwanden en veroorzaakt zwellingen.
  • Haemolysine: lost de rode bloedcellen op.
  • Trombine: beïnvloedt de bloedstolling.
  • Cytolysine: verwoest witte bloedlichaampjes en tast weefsels aan.
  • Neurotoxine: werkt in op hersen- en ruggenmergzenuwknopen en veroorzaakt ademhalingsstoornissen en andere storingen aan het centrale zenuwstelsel.

 

Ook zijn er enzymen aanwezig die niet toxisch zijn, maar een rol spelen bij het binnendringen van het gif en het transport naar de weefsels; verder ondersteunen ze ook de vertering. Gemiddeld geeft een adder 25-30 mg vloeibaar gif af bij een beet, dat is 10 mg droog gif. Als het gif door een adder onder de huid van een muis wordt gebracht is er 6,45 microgram nodig om 50% van de aangedane muizen te doden. Als het gif tot in de ader van een muis wordt gebracht is hiervoor al 0,55 nicrogram genoeg (Engelmann & Obst 1981).

De symptomen van een adderbeet

Als een mens wordt gebeten kunnen rondom de beet (enkele van) de volgende lokale verschijnselen optreden: pijn, tintelingen, zwelling, verkleuring en vergrote lymfeklieren (van het gebeten lichaamsdeel). De algemene verschijnselen die kunnen optreden zijn: misselijkheid, braken, buikpijn, diarree, zweten, bloedingen, verhoogde hartslag, bewustzijnsverlies, lage bloeddruk, shock en/of nierfalen. Het is mogelijk dat er nog meer symptomen optreden. De bovenstaande zijn echter de meest voorkomende, afhankelijk van de ernst van de beet.

De behandeling van een adderbeet

Het is van groot belang om als gebeten persoon of hulpverlener de rust te bewaren (adderbeten zijn zelden dodelijk). Dat voorkomt onder meer een versnelde verspreiding van het gif door het lichaam als gevolg van een versnelde hartslag. Knellende sierraden en banden moeten worden verwijderd. Het gebeten lichaamsdeel dient geïmmobiliseerd en laag gehouden te worden en het is verstandig altijd medische hulp te zoeken. Het gebeten lichaamsdeel moet nooit worden afgebonden, ingesneden of uitgezogen. De consumptie van alcohol, thee of koffie na een beet is uit den boze. Gebruik alleen paracetamol tegen de pijn (geen aspirine, ibuprofen of andere pijnstillende/ontstekingsremmende geneesmiddelen (nsaid’s), omdat deze ook bloedverdunnend werken). Antiserum wordt alleen toegediend bij ernstige vergiftigingen, met één van de volgende symptomen: stollingsstoornis, neurotoxiciteit, hartritmestoornis, snelle bloeddrukdaling, shock, snelle progressieve lokale zwelling of blaasjes, rhabdomyolyse (afbraak van dwarsgestreept spierweefsel) en/of longoedeem. Het besluit om antiserum toe te dienen moet altijd zorgvuldig overwogen worden, omdat er een groep van risicopatiënten is, waarbij een anafylactische shock of serumziekte kan optreden. Toediening moet altijd in het ziekenhuis gebeuren. Daarbij dient de arts niet klakkeloos te vertrouwen op de determinatie verricht door het slachtoffer of omstanders. Zo is in Nijmegen een kind, na onterechte toediening van antiserum in een ziekenhuis aldaar, ernstig ziek geworden. De bewuste beet was van een gladde slang, die zelfs meegenomen was naar het ziekenhuis, maar daar echter werd aangezien voor een adder (Henk Strijbosch pers. med.).

Beten in Nederland

Periode voor 1973

Door Hemmes (1973) is onderzoek gedaan naar adderbeten. Hij achterhaalde 138 beten tussen 1885 en 1972. Van de beten kwam 60% uit het noordoosten van het land, 30% van de Veluwe en de resterende 10% van onder andere de Utrechtse Heuvelrug (omgeving Baarn), de Meinweg en het zuidwesten van Brabant (omgeving Ulvenhout). Drie personen zijn aan de gevolgen van een adderbeet overleden; een 3½ jaar oud meisje, een twaalfjarige jongen en een jonge vrouw. Er werden 58 maal mensen in de armen gebeten, 39 maal in de benen en twee maal in het hoofd.

Periode vanaf 1973 tot en met 2006

De Werkgroep Adderonderzoek Nederland heeft de afgelopen jaren een grootschalig onderzoek verricht naar adderbeten in de periode 1973-2006, door alle huisartsen te benaderen in het oosten van het land (Janssen in prep.) Adderbeten worden in ziekenhuizen en bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (rivm) vaak algemeen als ‘slangenbeet’ geregistreerd, waardoor ze niet goed bruikbaar zijn. Er zijn 83 beten achterhaald, waarvan 41 in Drenthe, 23 in Limburg, zeven in Friesland, vier in Overijssel, vier in Gelderland, twee in Utrecht en van twee personen was de provincie onbekend. Van de gebeten personen werden er 37 in de arm of hand gebeten, 15 in been of voet en bij 31 beten is dit onbekend. Vangen of vasthouden van de adder was in 25 gevallen de oorzaak van de beet, 21 maal werd iemand gebeten door een adder te storen tijdens het wandelen, iets vast te pakken in de omgeving van de adder of op de adder te gaan zitten. Van 37 beten is hier niets over bekend. In 44 gevallen werd een huisarts geraadpleegd, waarbij 26 maal werd doorverwezen naar het ziekenhuis. Het ziekenhuis werd ook 15 maal direct bezocht. Voor zover bekend is in zes gevallen antiserum toegediend. Bij 15 beten werden één of meer symptomen van ernstige vergiftigingsverschijnselen vastgesteld. In de periode na 1973 is niemand in Nederland overleden aan een beet van de adder.

Bron

Auteur(s)

Hoof, P.H. van, Janssen, P.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.