Overslaan en naar de inhoud gaan

Adder Vipera berus

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Viperidae [familie]
Vipera [genus] (2/1)
berus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieWaarnemingen overzicht 2002
ExpertCreemers, R.C.M. (RAVON)

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: RAVON, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Areaal

Het verspreidingsgebied van de adder strekt zich uit van Groot-Brittannië tot op het Russische eiland Sachalin ten noorden van Japan. De noordgrens van het areaal komt boven de poolcirkel uit en loopt door Scandinavië en het noorden van Rusland. In het zuiden bereikt de soort het zuiden van Frankrijk en het noorden van Italië en Griekenland (Nilson & Andrén 1997, Schiemenz 1985).

In het noordelijke deel van het verspreidingsgebied komt de adder vooral voor rond zeeniveau. Naar het zuiden toe wordt de soort steeds hoger in de bergen aangetroffen. In Midden-Europa komt de adder vrijwel uitsluitend voor in het middel- en hooggebergte, waar een hoogte van bijna 3000 m bereikt kan worden (Brodmann 1987).

Er zijn drie ondersoorten beschreven. De nominaatvorm Vipera berus berus komt voor in het grootste deel van het verspreidingsgebied, waaronder Nederland (Brodmann 1987). Op de Balkan komt de ondersoort V. b. bosniensis voor, terwijl vanaf Zuidoost-Siberië oostwaarts de ondersoort V. b. sachalinensis voorkomt. Deze laatste betreft mogelijk een aparte soort.

Verspreiding in Nederland

De adder komt voor op de hoge zandgronden van Nederland met uitzondering van de duinen. Er zijn momenteel nog twee grote min of meer aaneengesloten leefgebieden van de adder, gelegen in Friesland en Drenthe en op de Veluwe (Veluws-Drents district). Daarnaast is de soort nog aanwezig in Overijssel (zowel binnen het Veluws-Drents als het Oost- en Zuid-Nederlands district) en Limburg (Meinweg, deel van het Kempens district). In maar liefst vier provincies (Noord-Brabant, Utrecht, Noord-Holland en Groningen) is de adder uitgestorven.

Voor 1971

De eerste geregistreerde adderwaarneming stamt uit Borger-Odoorn (dr) uit 1852. Tot 1900 zijn maar 25 waarnemingen bekend. Deze komen vooral uit Drenthe en van de Veluwe.

Het verspreidingsbeeld in deze periode geeft duidelijk twee grote kerngebieden weer. Het ene omvat Drenthe, Zuidoost-Friesland en Zuid-Groningen, het andere bestaat uit de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Verder zijn er geïsoleerde waarnemingen uit Overijssel en Limburg, veelal uit gebieden waar de adder nu nog voorkomt of uit gebieden die hier landschappelijk op aansloten.

In Limburg is in 1953 een adder door schoolkinderen gevangen nabij Tegelen. Het dier is in de collectie van het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis te Leiden beland (rmnh 9906). Aangezien vroeger het gehele gebied ten westen van het hoogterras langs de Nederlands-Duitse grens uit aaneengesloten geschikte adderhabitat bestond, is het mogelijk dat de adder er in de hele grensstreek aanwezig is geweest (Janssen & Lenders in prep., Lenders 1992d). Het is echter ook mogelijk dat de Limburgse adders zijn geïntroduceerd (zie onder de periode 1996-2007).

Van de historische Brabantse waarnemingen uit deze en andere perioden worden, in tegenstelling tot Bergmans & Zuiderwijk (1986), alleen de waarnemingen tussen Breda en de Belgische grens betrouwbaar geacht. Op de Oude Buissche Heide bij Zundert vond een waarnemer in 1967 zowel gladde slangen als adders in zogenaamde klapvallen. Doordat deze waarnemer, in tegenstelling tot veel andere Brabantse ‘adderwaarnemers’, wél het onderscheid tussen beide soorten lijkt te kennen, vormt deze waarneming de meest overtuigende uit deze regio. In 1903 is een vrouw doodgebeten in het Geersbroek (ten zuidoosten van Ulvenhoutse Bos; uurhok 5024). Zij werd in haar pols gebeten tijdens het snijden van gras bij de Chaamse Beek. Deze waarneming is later foutief vermeld als ‘Ulvenhout’ (uurhok 5013, Willemse 1916a) en dit vormt weer de basis voor vermelding van dit uurhok in Van Wijngaarden (1959). Deze auteur plaatst op zijn beurt de waarneming in de periode 1910-1945, waarmee zowel de plaats- als tijdsbepaling zijn verschoven. Ook latere geruchten met als vindplaatsen ‘Breda, Ginneken en Ulvenhout’ zijn waarschijnlijk niet gebaseerd op de originele vondst maar op doorreferenties. Met het accepteren van de waarnemingen in het Geersbroek en de Oude Buissche Heide worden ook de waarnemingen in de Lokker (uurhok 5024) en de Moeren (uurhok 5024) aannemelijk, al ontbreekt het bij deze waarnemingen aan voldoende achtergrondinformatie om ze op betrouwbaarheid te kunnen toetsen. Uit bestudering van oud kaartmateriaal blijkt dat deze vindplaatsen vroeger deel uitmaakten van een uitgebreid complex van voornamelijk hoogveen en natte heide. Bovendien sloten deze gebieden tot omstreeks 1900 naadloos aan op de huidige leefgebieden van adders enkele kilometers over de grens in België. Daarmee zijn beide waarnemingen aannemelijk en daarom op de kaart weergegeven. De vindplaatsen uit Schlegel (1862) uit Midden-Brabant (Vught, Boxtel en Schijndel) zijn onverifieerbaar en niet weergegeven. Er waren in die tijd geen geschikte determinatiewerken, bovendien zijn het waarnemingen die hoogstwaarschijnlijk niet door de auteur zelf zijn gedaan. Voor een natuurlijke aanwezigheid in de Peelregio (op de grens van Limburg en Noord-Brabant) zijn geen bewijzen.

1971-1995

Hoewel het aantal waarnemingen fors is toegenomen, zijn de twee kerngebieden ten opzichte van de vorige periode duidelijk in omvang afgenomen. Vooral de achteruitgang op de Utrechtse Heuvelrug en in de Gelderse Vallei is opvallend. De adder is na 1974 niet meer waargenomen in de provincie Utrecht. Uit de Gelderse Vallei verdwijnt de soort al enkele jaren eerder. Ook verdwijnt de soort definitief ten oosten van de Veluwe uit de Gelderse landgoederenzone rond Brummen (Leusveld en Voorstonden), waar de soort eerder gemeld werd uit oude eikenhakhoutpercelen (Cuppen & Heinen 1984). Door het verdwijnen van de hakhoutcultuur is de adder hier verdwenen. In de noordelijke verspreidingskern loopt in Groningen het aantal vindplaatsen sterk terug en de soort sterft er waarschijnlijk in deze periode uit. In 1992 zijn de laatste waarnemingen gedaan in de Appèlbergen ten zuiden van Haren. Uit het noorden en het uiterste westen (Gaasterland) van Friesland zijn geen adders meer gemeld. Het verspreidingsbeeld in Drenthe is op uurhokniveau nagenoeg gelijk gebleven. Alleen de verspreiding aan de meest oostelijke rand is afgenomen. In Noord-Brabant zijn geen waarnemingen meer bekend van adders, de populaties tussen Breda en België zijn uitgestorven. De laatste waarneming uit dit gebied dateert uit 1967. In Overijssel is de adder teruggedrongen tot enkele gebieden. In Limburg beperken de waarnemingen zich tot de Meinweg (Frigge et al. 1978b). De enige zekere adderwaarneming uit de Peel in de jaren 80 betreft volgens Lenders (1992) een uitzetting.

1996-2007

Terwijl het aantal waarnemingen sterk is toegenomen, heeft in veel gebieden een verdere achteruitgang van de adder plaatsgevonden. Deze achteruitgang in bezette hokken is het sterkst op de Veluwe. Hier liggen nog ruim 30 aaneengesloten bezette uurhokken (in de vorige periode nog ruim 40). De nattere delen in het Nationaal Park de Hoge Veluwe, boswachterij Kootwijk en waarschijnlijk ook de Kroondomeinen zijn de belangrijkste bolwerken. Uit de Kroondomeinen zijn onvoldoende gegevens bekend.

In de Noord-Nederlandse verspreidingskern (ruim 70 min of meer aaneengesloten uurhokken voornamelijk in Friesland en Drenthe) lijkt de achteruitgang mee te vallen, hoewel met name uit diverse Friese uurhokken geen recente waarnemingen meer komen. De belangrijkste gebieden zijn hier het Fochtelöerveen, Doldersummer- en Wapserveld (onderdeel van Nationaal Park Drents-Friese Wold), Nationaal Park Dwingelderveld, het Bargerveen en het Hijkerveld. Naast deze grote kerngebieden (>200 ha) vinden we in beide provincies kleinere leefgebieden die vanwege hun landschappelijke en hydrologische kwaliteit toch zeer kansrijk zijn om duurzaam een leefgebied voor de adder te blijven (André Donker pers. med.). De beide kleine vindplaatsen op laagveen in Friesland, het Oosterschar en Haulsterbos, staan onder grote druk. Mogelijk is de adder uit het laatstgenoemde gebied recent al verdwenen. Vanwege het bijzondere habitattype voor de adder zijn beide gebieden zeer beschermenswaardig. De omgeving van Ommen, de Engbertsdijksvenen, het Aamsveen en het Haaksbergerveen zijn de belangrijkste Overijsselse leefgebieden voor de adder. In het noorden van de provincie zijn tegen Drenthe aan nog enkele kleinere vindplaatsen aanwezig.

Ondanks dat er nog steeds met enige regelmaat geruchten binnenkomen over waarnemingen uit de Peel, Cartierheide en de Reuselse Moeren (Noord-Brabant) is er nooit een bewijs voor de aanwezigheid van de adder gevonden. Er zijn uit deze gebieden wel volop waarnemingen van de veel lastiger waarneembare gladde slang bekend.

De Meinweg is de enige Limburgse vindplaats. Dit is zelfs de enige populatie in de gehele Middenrijnse laagvlakte van Nederland en Duitsland. Broens (2007) komt na uitvoerig historisch onderzoek met de hypothese dat de adders op de Meinweg mogelijk te herleiden zijn tot een vroege introductie (omstreeks 1900) door Franciscaner monniken uit Silezië. Dit zou de late ontdekking van adders op de Meinweg verklaren (na 1925, terwijl van andere bekende adderpopulaties dan al waarnemingen bekend zijn), evenals de grote genetische verschillen tussen de adders van de Meinweg en die van elders in Nederland en in België (Huisman 2006, Janssen in prep.). Genetisch vervolgonderzoek door de Werkgroep Adderonderzoek Nederland van ravon kan waarschijnlijk meer inzicht geven in de herkomst van de adderpopulatie van het Meinweggebied.

Trend

Lange termijn

De adder staat op de Rode Lijst in de categorie ‘kwetsbaar’. De soort is ten opzichte van de referentieperiode (de periode voor 1950) met 65% afgenomen (Van Delft et al. 2007).

Als oorzaken van achteruitgang vermelden Lenders (1992) en Creemers (1996) ontginning en bebossing van heide en venen, verdroging, vervolging, te grootschalig heidebeheer, overbegrazing en versnippering.

Recente ontwikkeling

De adder vertoont een matige toename binnen de reptielenmonitoring (1994-2007) (werkgroep monitoring 2008g). In veel Drentse gebieden gaat het redelijk goed met deze soort, terwijl enkele gebieden in Friesland en ook de Meinweg (Lenders 2004, Lenders et al. 2002) een negatieve ontwikkeling kennen. Op de Veluwe zijn de aantallen in de monitoring stabiel (Werkgroep Monitoring 2004). In de verspreiding lijkt de soort echter vooral op de noordelijke en de westelijke Veluwe achteruit te gaan.

Verdroging en versnippering zijn belangrijke bedreigingen voor de adder (Van Strien et al. 2007). Ook vindt binnen diverse terreinen met adderpopulaties nog een te grootschalig of te intensief beheer plaats. Zo zijn in meerdere gebieden zeer belangrijke terreindelen voor de adder in één keer geheel geplagd of gemaaid met een decimering van de adderpopulatie tot gevolg. Door het plotseling vernatten van terreindelen in de wintermaanden zijn in meerdere gebieden vermoedelijk tientallen adders verdronken en zijn populaties verdwenen. Bomen die bovenop overwinteringsplaatsen stonden, zijn op diverse plaatsen gekapt. Hierdoor kunnen hibernacula, door een verminderde verdamping, te vochtig worden (ongepubliceerde gegevens Werkgroep Adderonderzoek Nederland, Werkgroep Monitoring 2004). Het wortelstelsel van bomen geeft waarschijnlijk ook stevigheid aan de ondergrondse holten (Ton Lenders pers. med.). Overbegrazing leidt tot een te open vegetatie waardoor schuilgelegenheid en prooidieren verdwijnen en de vochthuishouding ongunstig verandert. In de Meinweg is de achteruitgang mogelijk ook ten dele te wijten aan het wegvangen van adders (Lenders 2004, Pedro Janssen pers. med.).

Bron

Auteur(s)

Hoof, P.H. van, Janssen, P.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.