Overslaan en naar de inhoud gaan

Kievit Vanellus vanellus

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Charadriidae [familie]
Vanellus [genus] (7/1)
vanellus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet brak marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Op atlasblok-niveau is de broedverspreiding met 95% bezette atlasblokken bijna landdekkend. De relatieve dichtheidskaart toont leegtes in grotere bosgebieden, stedelijke agglomeraties en de duinen. De beste kievitgebieden - al komt dit op de kaart onvoldoende tot uitdrukking - zijn te vinden in Friesland, Noordwest-Overijssel, Noord-Holland, het Utrechts-Zuid-Hollandse veengebied, Eemland/Arkemheen en in delen van het rivierengebied. Ze bevinden zich zowel op klei- als veengrond, en omvatten naast vochtige graslanden ook enkele gebieden met veel bouwland.

In vergelijking met zijn ‘ecologische neef’, de Grutto, is het talrijke voorkomen van Kieviten op de zandgronden van Oost- en Zuid-Nederland opvallend. Hier broedt 40-80% van de vogels op bouwland. Ook in Laag-Nederland hebben de recent overal opgedoken maïsakkers in de veenweide­gebieden een grote aantrekkingskracht (ca. 20%; Oosterveld 2000). Waarschijnlijk broedt tegenwoordig ongeveer de helft van de Nederlandse Kieviten op akkers, waarvan een groot deel op maïspercelen. Bouwland biedt een goede camouflage voor de broedende vogels en er heerst een relatief lange rustperiode wat betreft agrarische werkzaamheden, waardoor de uitkomstkansen van legsels er groter zijn dan op agrarisch grasland (Teunissen 1999). Ook wordt het moderne turbogras snel te lang naar de zin van de Kievit, vooral als er vervolglegsels moeten worden gemaakt.

Voor kievitkuikens, en mogelijk ook voor adulte vogels, is er op de kale akkerbodems echter betrekkelijk weinig voedsel te vinden (Galbraith 1988, Berg 1993), en na het uitkomen van de legsels trekken de gezinnen dan ook vaak naar nabijgelegen (gemaaid of beweid) grasland. In Engeland broeden Kieviten vooral op akkers die aan grasland grenzen (Wilson et al. 2001). De afhankelijkheid van grasland als opgroeihabitat voor kuikens verklaart ook de lage dichtheden in grootschalige akkergebieden (Flevoland, Deltagebied) in vergelijking met de zandgronden, waar bouwland en grasland meer gemengd voorkomen.

Veranderingen

De Kievit is nog zo algemeen dat zich op atlasblokniveau sinds de eerste atlas (1973-77) nauwelijks veranderingen in de verspreiding hebben voorgedaan. Opvallend is alleen het gat dat is ontstaan door de ontruiming van sommige landbouw­enclaves en heidevelden op de Veluwe. Dit begon zich rond 1980 al af te tekenen (SOVON 1987). Veranderingen in het landbouwkundig gebruik van de enclaves en toename van predatoren kunnen hierbij een rol hebben gespeeld. Daarnaast is een aantal blokken in de kustduinen verlaten. Hier vindt al 40 jaar een gestage achteruitgang plaats, in eerste instantie wellicht vanwege verdroging als gevolg van drinkwater­winning. De recente waterpeilverhoging in sommige duin­gebieden levert geen nieuwe broedhabitat op vanwege vergrassing en struweelvorming.

Meer in detail en in kwantitatieve zin hebben zich duidelijke veranderingen voorgedaan, die overigens gedeeltelijk al vóór de eerste atlasperiode hadden ingezet. In de eerste helft van de 20e eeuw werden de hoogste broeddichtheden gevonden op vochtige en spaarzaam bemeste graslanden, maar de Kievit heeft zich door intensivering van de landbouw en zware bemesting (nog) niet uit het grasland laten verdrijven. Daarnaast zijn door de grootschalige kolonisatie van akkerland de aantallen in voorheen dun bezette gebieden op de zandgronden vanaf de jaren vijftig sterk toegenomen (Bijlsma et al. 2001). Sinds 1984 is de bmp-index in half-open landschap echter meer dan gehalveerd (van Dijk et al. 2001a), zodat het erop lijkt dat de zandgronden tegenwoordig deels worden ontruimd. De schaarse gegevens wijzen erop dat het broedsucces hier thans onvoldoende is om de sterfte van volgroeide vogels te compenseren (Dijkstra 2001). Hoewel juist halfopen landschappen goede leef- en jaagmogelijkheden bieden voor predatoren, speelt de huidige hoge landbouwintensiteit een zeker zo grote rol bij het lage broedsucces. In verband met de voorkeur voor akkers met grasland in de nabijheid zal ook de toegenomen specialisatie en het verdwijnen van gemengde landbouwbedrijven nadelige effecten hebben gehad. Nu door een eu-maatregel op maïsakkers mechanische onkruidbestrijding verplicht wordt gesteld, zullen de problemen hier wellicht nog verder toenemen (Oosterveld 2000). In open grasland en op bouwland zijn de indexen de laatste jaren schijnbaar stabiel. Vooral de grasland­indexen geven vermoedelijk echter een te rooskleurig beeld, doordat de betere weidevogelgebieden hierin zwaar vertegenwoordigd zijn. Recente cijfers van het Friese weidevogelmeetnet, waar gangbaar boerenland beter vertegenwoordigd is, tonen een afname van 25% binnen vijf jaar (Nijland 2001).

Aantallen

De bmp- en atlasgegevens komen uit op bijna 290.000 paren, wat aan de hoge kant is. Daarom wordt een schatting van 200.000-300.000 paren aangehouden. De schatting van 120.000 paren in 1973-77 was vermoedelijk te laag; in 1979-85 werd de populatie op 200.000-275.000 paren geraamd. Vrijwilligers markeerden in 2000 101.000 nesten (inclusief vervolglegsels) in het kader van nestbescherming

Bron

Auteur(s)

Schekkerman, H.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.