Overslaan en naar de inhoud gaan

Bontbekplevier Charadrius hiaticula

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Charadriidae [familie]
Charadrius [genus] (4/2)
hiaticula [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Bij het inventariseren worden territoriale Bontbekplevieren niet gauw gemist. Bovendien worden veel broedplaatsen jaarlijks gebruikt en zijn deze goed bekend bij plaatselijke vogelaars. Het verspreidingsbeeld zal daarom adequaat in kaart zijn gebracht.

Dat de Bontbekplevier in 13% van de atlasblokken broed­vogel is, lijkt weinig. Wanneer we echter alleen de kuststrook beschouwen, zien we dat de meeste aan zoute wateren grenzende blokken bezet zijn. De Hollandse kust, met zijn te drukke stranden, vormt hierop een uitzondering. In vergelijking met de Strandplevier is de Bontbekplevier minder gebonden aan zoute wateren, zodat de soort ook langs het IJsselmeer en plaatselijk in Noord- en West-Nederland voorkomt. Dieper in het binnenland is de soort als broedvogel uiterst zeldzaam. Alleen langs de IJssel bij Deventer ging het om een zeker broedgeval.

De dichtheden per atlasblok zijn in Nederland laag; meer dan 10 paren per atlasblok is vrij uitzonderlijk. Minstens driekwart van de Nederlandse populatie broedt in het Waddengebied en Deltagebied. In het Waddengebied (160-180 paren in 1998-2000; Dijksen & Koks 2001c) is de Bontbekplevier het talrijkst langs een deel van de Friese Noordkust en in het Eems-Dollardgebied, een situatie die van tamelijk recente datum is. Op de Waddeneilanden komen de hoogste aantallen tot broeden op Texel, aan de waddenzijde van het eiland. In het Deltagebied (150-170 paren in 1998-2000; Meininger & Strucker 2001) zetelt het merendeel van de populatie in de Oosterschelde en het Volkerakmeer. De Oosterschelde is een traditionele broedplaats van deze soort, maar in het Volkerakmeer vond vestiging pas na afsluiting van het getij plaats, toen grote oppervlaktes permanent droogvielen. Extra broedgelegenheid ontstond er op nieuw opgespoten eilanden, aangelegd ten behoeve van paaiplaatsen voor vissen. In het IJsselmeergebied bieden opspuitingen en natuurontwikkelingsprojecten broedgelegenheid voor de Bontbekplevier (IJsseloog bij Ketelmeer, Vooroever bij Onderdijk).

Veranderingen

Sinds 1973-77 is er, op een lichte afname na, maar weinig veranderd in het aantal bezette atlasblokken. Toch is er in de tussenliggende jaren veel gebeurd. In de vorige atlas­periode was Zuidelijk Flevoland in aanleg en kwam de Bontbekplevier hier in vrijwel elk atlasblok als broedvogel voor. De nog kale dijken en drooggevallen gronden vormden er ideale broedhabitat. De soort broedde ook plaatselijk in Oostelijk Flevoland. De meeste van deze locaties werden inmiddels ongeschikt. Ook in het Deltagebied vonden grote landschappelijke veranderingen plaats, met de Deltawerken als omvangrijkste ingreep. In snel tempo ontstonden hier nieuwe broedplaatsen, waarvan een deel ook weer verdween. Opvallend is verder dat broedgevallen in het binnenland schaars lijken te worden, wat in Friesland en - in mindere mate - de Randstad en het Deltagebied ook in het kaartbeeld zichtbaar is. In het Waddengebied zijn relatief veel blokken nieuw bezet sinds 1973-77. Ook in Oost-Groningen (voormalige vloeivelden) en Noord-Holland is dit het geval.

In de vorige atlasperiode verkeerde de populatie van de Bontbekplevier zowel in het Wadden- als Deltagebied in een bloeiperiode (RIKZ/SOVON ongepubl.). In het Waddengebied bleven de aantallen enige tijd stabiel rond 130 paren en groeiden ze naar 140-180 paren in de tweede helft van de jaren negentig (Dijksen & Koks 2001c). De toename geldt vooral de buitendijkse delen van Noord-Friesland (Feddema & Kuipers 1998). In het Deltagebied bereikten de aantallen een hoogtepunt met rond 250 paren in 1979-89. Daarna namen ze af tot ongeveer 150 paren in 1997, om vervolgens te stabiliseren (Meininger et al. 1999a). Bij de ontwikkeling van de broedpopulatie van de Bontbekplevier in Nederland en elders in Noordwest-Europa spelen tegenstrijdige ontwikkelingen door elkaar. Enerzijds vindt een afname plaats in de (traditionele) kustgebieden als gevolg van verstoring door menselijk gebruik van stranden en intensieve predatie (Pienkowski 1984, Prater 1989, Tulp 1998). Anderzijds is een toename geconstateerd, vooral buiten de kustgebieden, door het in gebruik nemen van kale gronden die ontstaan zijn door opspuiting en inpoldering (Holz 1987, Prater 1989, Meininger et al. 1999a). Door verdere inrichting en vegetatiesuccessie zijn deze nieuwe broedlocaties echter maar tijdelijk geschikt (Arts et al. 2000). De verwachting is dan ook, dat de Nederlandse populatie op de lange termijn zal afnemen.

Aantallen

Het aantal broedparen van de Bontbekplevier heeft zich in Nederland in de 20e eeuw door grote infrastructurele werken kunnen uitbreiden tot 400-650 paren rond 1980. Daarna ging het weer bergafwaarts met deze soort, hoewel de afname momenteel vooral door natuurontwikkeling wordt afgeremd. In 1998 en 1999 werd de populatie geschat op 430-470 paren (van Dijk et al. 2000, 2001b). De situatie in het laatste atlasjaar, 2000, benaderde vermoedelijk de ondergrens van deze schatting.

Bron

Auteur(s)

Arts, F.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.