Overslaan en naar de inhoud gaan

Kluut Recurvirostra avosetta

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Recurvirostra [genus] (1/1)
avosetta [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Met zijn markante uiterlijk en luidruchtige gedrag is de Kluut een nauwelijks te missen broedvogel. De soort is vastgesteld in 21% van de atlasblokken, waarbij de verspreiding beperkt blijft tot de laaggelegen delen van Nederland. De meest aaneengesloten verspreiding is vastgesteld rond de Waddenzee (inclusief Dollard), in de laaggelegen polders in de Kop van Noord-Holland en in het Deltagebied. Verder komen Kluten tamelijk verspreid tot broeden rond het IJsselmeer, in het Groene Hart van Holland en langs de Grote Rivieren. Dit patroon weerspiegelt het voorkomen van natuurlijke habitats als kwelders en schorren, maar ook het opportunisme waarmee deze soort nieuwe, niet zelden door de mens gemaakte, broedgebieden koloniseert; voorbeelden hiervan zijn natuurbouwprojecten en opspuitingen, waarbij overigens steeds kale grond aanwezig moet zijn. Op de hogere gronden van Nederland komen Kluten slechts bij uitzondering tot broeden.

De kerngebieden Waddenzee en Deltagebied nemen ruim 90% van de landelijke broedpopulatie voor hun rekening (van Dijk et al. 1998). In het Waddengebied (4100-5700 paren in 1998-2000) broedt het merendeel in Noord-Friesland Buitendijks (1400-2000), langs de Groningse Noordkust (1000-1700) en in de Dollard (200-1300). Kluten nestelen hier vooral op de kwelders en in de zomerpolders, maar ook wel op binnendijkse akkers. Belangrijke aantallen broeden voorts op Balgzand, terwijl ook alle Waddeneilanden Kluten herbergen, op kwelders, in polders nabij de waddendijk en op strandvlakten zoals de Noordvaarder op Terschelling (Dijksen & Koks 2001c).

In het Deltagebied (2500-2900 paren in 1998-2000) liggen de grootste kolonies in het Volkerakmeer (400-500) en Haringvliet (300-600). De Kluut profiteert hier van recent opgespoten eilanden. Ook in de andere grote watersystemen van het Deltagebied broeden Kluten: rond de Oosterschelde in inlagen en karrevelden; rond de Westerschelde op akkers en langs kreken; in het Veerse Meer, Grevelingen-, Markiezaats- en Zoommeer op de drooggevallen gronden; op de Maasvlakte op opgespoten terreinen (Meininger & Strucker 2001, Meininger et al. 1999a). Rond het IJsselmeer komen enkele concentraties voor, veelal op door natuurontwikkeling of opspuiting tijdelijk geschikte broedlocaties, onder meer bij Makkum en Hindeloopen. In de laaggelegen polders van de Zaanstreek en het Westelijk Havengebied van Amsterdam weten zich al geruime tijd Kluten te handhaven op opspuitingen en akkers.

Veranderingen

Hoewel het aantal bezette atlasblokken ten opzichte van de jaren zeventig niet wezenlijk veranderd is, vonden er toch veel verschuivingen plaats. De inspanningen om ‘nieuwe natte natuur’ in Nederland te verkrijgen, vertalen zich deels in een veranderde broedverspreiding van de Kluut, bijvoorbeeld rond het IJsselmeer. In het Deltagebied, waar vanaf 1989 in tien jaar tijd 50 nieuwe broedlocaties door natuurontwikkeling ontstonden, is dat niet zichtbaar op atlasblokniveau. Omdat deze gebieden niet speciaal voor kustbroedvogels werden aangelegd, gingen de meeste locaties na enkele jaren weer verloren door vegetatiesuccessie (Arts et al. 2000).

Sinds de vorige atlasperiode traden regionaal enorme veranderingen op in verspreiding en aantallen. De afsluiting van de Lauwerszee in 1969 leidde tot een lokale afname, gevolgd door snelle toename en later stabilisatie op laag niveau (van Eerden et al. 1979). De explosieve groei, in de jaren zeventig en tachtig, van de broedpopulatie op de Fries-Groningse kwelders was verantwoordelijk voor een belangrijke toename in het Waddengebied (Dijksen & Klemann 1992). In het Deltagebied hadden eerst de Deltawerken en later de natuurbouwprojecten grote invloed op de broedverspreiding. In 1998 huisde 32% van de Delta-populatie op drooggevallen gronden, 40% in natuurontwikkelingsgebieden en slechts 25% in de oorspronkelijke broedgebieden binnendijks en in het getijdengebied (Meininger et al. 1999a). Het IJsselmeergebied kende een tijdelijke toename kort na het ontstaan van de Flevopolders. Alleen al in de Oostvaardersplassen in Zuidelijk Flevoland kwamen soms 500-1000 paren tot broeden (de Bie & Zijlstra 1985). In de jaren negentig verloor het IJsselmeergebied zijn belang voor Kluten echter grotendeels.

De Nederlandse populatie groeide van rond 5000 paren in 1973-77 naar maximaal 9000 in 1989, waarna een afname volgde naar ruim 7000 paren medio jaren negentig. Ook elders in Noordwest-Europa verging het de Kluut goed, zodat de totale populatie verdubbelde van 10.000 paren in 1969 naar 20.000 in 1990, om vervolgens te stabiliseren (Tucker & Heath 1994, Arts & Meininger 1997b).

Aantallen

In de atlasjaren 1998-2000 omvatte de Nederlandse broedpopulatie 7000-9000 paren, waarbij de bovengrens in de laatste twee jaren werd bereikt. Mogelijk zijn de aantallen momenteel weer groeiende, na enige jaren van stagnatie. De Kluut reageert snel op nieuwe broedgebieden; met de huidige grootschalige natuurontwikkeling in Wadden- en Delta­gebied komt de magische grens van 10.000 paren in zicht.

Bron

Auteur(s)

Arts, F.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.