Overslaan en naar de inhoud gaan

Kemphaan Calidris pugnax

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Scolopacidae [familie]
Calidris [genus] (20/1)
pugnax [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke afname
Trend laatste 10 jaar: Sterke afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

In Nederland broeden Kemphanen tegenwoordig vrijwel uitsluitend in natte, schrale graslanden met een rijke vegetatiestructuur, in veen- en klei-op-veengebieden. Daarmee beperkt de soort zich in zijn verspreiding tot reservaatgebieden. In slechts 6% van de atlasblokken zijn Kemphanen gemeld. In ruim eenderde hiervan gaat het bovendien alleen om mogelijke broedgevallen. De kans is groot dat dit voor een flink deel doortrekkende vrouwtjes betreft, zodat het karige beeld ook nog geflatteerd is. De zekere en waarschijnlijke broed­gevallen komen vrijwel uitsluitend uit de van oudsher bekende broedgebieden. De nadruk valt daarbij op Friesland en Noord-Holland, met mondjesmaat wat verspreide gevallen elders, zoals in de Eempolders en de Ackerdijkse Plassen (Zuid-Holland). In Oost- en Zuid-Nederland ontbreekt de soort.

De aantallen per atlasblok zijn vrijwel overal zeer laag. Alleen in sommige van de ‘betere’ weidevogelreservaten worden nog vier of meer paren (eigenlijk: broedverdachte hennen) per blok opgegeven. In Friesland liggen de laatste gebieden die nog voor de Kemphaan van belang zijn langs de IJsselmeerkust (o.a. Workumerwaard), in de zuidwesthoek (zomerpolders en boezemlanden van Sneekermeer, Terkaplester­poelen en Witte en Zwarte Brekken), in de laagveengebieden van Midden-Friesland (Oude Venen, Van Oordt’s Mersken, Riperkrite nabij De Deelen), bij de Groote Wielen (oostelijk van Leeuwarden) en in het Lauwersmeer. In Noord-Holland vormen Waterland, de Zaanstreek (vooral Wormer- en Jisperveld) en de omgeving van het Alkmaardermeer de laatste refugia.

Tellingen suggereren een nogal erratisch voorkomen over de geschikte broedterreinen (van Dijk et al. 2001b). In het ene jaar kunnen verschillende broedverdachte hennen in een gebied aanwezig zijn, waarna de soort verstek laat gaan in het daaropvolgende jaar. Nu is de Kemphaan lastig te tellen, vooral wanneer de dichtheden laag zijn, zodat de sterk fluctuerende aantallen ten dele samenhangen met variabele telinspanningen. Toch duidt de situatie in vaste onderzoeksgebieden in Friesland op werkelijk forse fluctuaties. Hier werden in 1998 nog 42 broedverdachte hennen geteld en werd, mede op grond van gegevens van de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten (bfvw), geschat dat er zo’n 60-70 waren (Kleefstra 2000). In 1999 lag het aantal getelde broedverdachte hennen, bij min of meer gelijkblijvende telinspanning, op slechts 26 en kwam de populatieschatting, met aanvullingen van de bfvw, niet hoger dan 30-40. De soort lijkt in Friesland steeds meer invasieachtig op te treden, alsof er het ene jaar meer hennen blijven hangen dan het andere. Van een stabiele broedpopulatie is dan ook geen sprake meer, temeer daar vaste broedgebieden als de Groote Wielen, de Oude Venen en het Sneekermeer de Kemphaan in de atlasperiode als jaarlijkse broedvogel zagen verdwijnen (Kleefstra 2001). Ook op de Noord-Hollandse broedplaatsen worden opvallende jaarlijkse verschillen opgemerkt (Steendam 1998, van Dijk et al. 2001b).

Veranderingen

In vergelijking met 1973-77 heeft de Kemphaan een enorme veer moeten laten. De soort werd destijds nog in 316 atlasblokken (19%) als zekere of waarschijnlijke broedvogel vastgesteld, maar is sindsdien uit ruim driekwart daarvan ver­dwenen. Daar staan slechts enkele nieuw bezette blokken tegenover, mogelijk vooral gebieden waar natuurontwikkeling tijdelijke vestigingen heeft opgeleverd. De hoger gelegen gronden van Nederland zijn volledig en vermoedelijk defi­nitief verlaten. Zo ontbreekt de soort inmiddels in Drenthe en Noord-Brabant en is het zuidoosten van Friesland leeggelopen. Ook in de lage delen van ons land ontbreken Kemp­hanen inmiddels over grote oppervlakte, zoals in de Kop van Overijssel, de Utrechts-Hollandse veenweidegebieden en het Deltagebied. Alleen heel plaatselijk, zoals in het Wormer- en Jisperveld, bleven de aantallen stabiel of namen ze zelfs weer wat toe als gevolg van op de soort afgestemd terreinbeheer (van der Geld & Leguijt 1996).

Dat de Nederlandse broedpopulatie in elkaar is gezakt, is niet verwonderlijk, gezien de snelle landschappelijk veranderingen als gevolg van de gemoderniseerde agrarische bedrijfsvoering. Vroeger en vaker maaien, verzwaarde mestgift, graslandverbetering, verhoogde beweidingsdruk en het verdwijnen van vele hectares zomerpolders, boezemlanden en natte veenweiden speelde (en speelt) de soort parten. In het Lauwersmeer werd de kolonisatie door Kemphanen na inpoldering van dit gebied (1969) snel tenietgedaan door vegetatie­successie. Zo staan tegenover 350-400 broedverdachte hennen in 1983 slechts zes exemplaren in 2000. Of er ook een verschuiving van het Europese broedareaal in oostelijke richting plaatsvindt, is twijfelachtig. De beschikbare gegevens wijzen er eerder op dat de afname over een groot gebied voorkomt en in ieder geval ook in Duitsland, Denemarken, Polen, Letland en Finland regel is (Hagemeijer & Blair 1997).

Aantallen

Waar Nederland begin jaren vijftig nog minstens 6000 broedende hennen telde, nam het aantal af tot hooguit 1500 in 1978, net na de vorige atlas, 300-400 in 1994 en nog slechts 100-140 in 1998-2000.

Bron

Auteur(s)

Kleefstra, R.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.