Overslaan en naar de inhoud gaan

Wulp Numenius arquata

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Scolopacidae [familie]
Numenius [genus] (4/1)
arquata [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Als zekere of waarschijnlijke broedvogel is de Wulp in bijna 730 atlasblokken (44%) vastgesteld, met nadruk op de zandgronden van Drenthe, Overijssel, de Achterhoek, het midden en oosten van Noord-Brabant en de noorde­lijke helft van Limburg. Goed bezet zijn ook de Wadden­eilanden en enkele laagveengebieden (Zuidoost-Friesland, Noordwest-Overijssel). Kleigronden worden niet gemeden, zoals het plaatselijke voorkomen in Groningen en het rivierengebied aantoont. De verspreiding in West-Nederland is nagenoeg beperkt tot de duinen.

De relatieve dichtheidskaart benadrukt het belang van Noordwest-Overijssel. Het absolute wulpenbolwerk in Nederland is het Staphorsterveld, waar in 1982-83 439 paren op 9100 ha werden vastgesteld (gemiddeld 4,8/100 ha). Anno 2001 is deze populatie nog steeds aanwezig (G.J. Gerritsen ongepubl.). In deelgebieden hier, zoals de Olde Maten (1100 ha), loopt de gemiddelde dichtheid nog verder op (10 paren/100 ha; Gerritsen 1985), wat ook geldt voor een deel van De Wieden (16,1 paren/100 ha; Brandsma 2000). Ook elders zijn Wulpen lokaal vrij talrijk, zowel in open jonge heideontginningen (westelijke Achterhoek) als op rivierklei (Maaspolders bij Oss). In natuurterreinen broeden nog maar weinig Wulpen, met uitzondering van de duinen van de Waddeneilanden.

Veranderingen

In de afgelopen kwart eeuw is de habitatkeus van de Wulp sterk gewijzigd, wat zich laat samenvatten met de slogan ‘van heidevogel tot weidevogel’. Op de veranderingskaart is dit zichtbaar in de verdwijning van de Veluwse heidevelden en delen van de duinen, vooral ten zuiden van het Noordzee­kanaal. De habitatverschuiving ten gunste van graslanden wordt slechts ten dele zichtbaar in het kaartbeeld, omdat in veel blokken met heide ook grasland voorkomt. Een opvallende areaaluitbreiding ten opzichte van 1973-77 vond plaats in het noordoosten van het land, ten noorden van de lijn Harlingen-Groningen-Emmen. Voorts koloniseerden Wulpen sommige graslanden in het rivierengebied (Betuwe, Land van Maas en Waal, Maaskant, Bergse Maas) en elders (Liemers).

De heide- en hoogveengebieden, die vanouds de broedhabitat bij uitstek voor de Wulp vormden, verloren vooral in de jaren tachtig en negentig hun betekenis. Hoe snel de afname verliep, blijkt uit het gegeven dat anno 1999 slechts 17% van de heidepopulatie in bmp-plots resteerde ten opzichte van 1984 (van Dijk et al. 2001a). De precieze oorzaak hiervan is onduidelijk. Volgens Otten (1985) was de reproductie in het Fochtelooërveen voldoende voor een stabiele populatie, maar in Zuidwest-Dren­the liep de afname van het aantal paren gelijk op met verminderend broedsucces. Vossenpredatie, vaak als belangrijke factor beschouwd, was vermoedelijk van ondergeschikt belang (Bijlsma 1994b, van Dijk 1997). Keij (2001) schreef de afname op de Landschotse Heide in Noord-Brabant, van 30 naar 15 paren tussen 1990 en 1999, toe aan de verdwijnende openheid van het gebied door minder grootschalig beheer en vernatting. De negatieve ontwikkeling in de duinen is evenmin eenvoudig te verklaren, aangezien detailonderzoek alleen beschikbaar is uit de periode van vóór de grootste afname. Mulder & Swaan (1988) concludeerden dat de vos in het Noordhollands Duin­reservaat een negatieve invloed heeft op het broedsucces, maar niet op het aantal zich vestigende Wulpen.

In cultuurlandschap is het broeden weliswaar al lang bekend, maar trad toename en vestiging in nieuwe gebieden pas op vanaf eind jaren zeventig (van den Bergh 1989). In de belangrijkste wulpenprovincie, Overijssel, namen de aantallen in 1994-2000 licht toe, met een geringe terugval aan het eind van die periode (Heinen 2001). Door het stapsgewijs benutten van delen van het Nederlandse graslandareaal heeft de Wulp de leegloop in de natuurgebieden ondervangen. De vraag waar deze koloniserende ‘graswulpen’ vandaan komen, is lastig te beantwoorden aangezien het beschikbaar dispersie­onderzoek niet eensluidend is. In Westfalen, Duitsland, vestigden jonge mannetjes zich gemiddeld 17,5 km van de geboorteplek en vrouwtjes 41,2 km (M.Kipp pers. med.) en koloniseerden ze vele nieuwe gebieden. Bij Staphorst worden echter veel geringere dispersieafstanden van gemiddeld minder dan 5 km vastgesteld (G.J. Gerritsen ongepubl.), wat ook de indruk in Noord-Brabant is (P. Keij pers. med.).

Overigens kleven er ook nadelen aan de omschakeling van natuurterreinen naar cultuurland. Hierdoor zijn Wulpen erg gevoelig geworden voor ontwikkelingen in de Nederlandse landbouw en de beschikbare overheidsbudgetten voor agrarisch natuurbeheer. Verder is de dichtheid aan predatoren in het cultuurland inmiddels vergelijkbaar met die in natuur­gebieden (Buizerd, vos). In Staphorst heeft de soort in 2000 en 2001 (veel) te weinig jongen kunnen produceren door een combinatie van intensieve landbouw en een hoge predatoren­stand (G.J. Gerritsen ongepubl.). Ook recente bmp-cijfers suggereren stabilisatie of lichte afname. Het lijkt er op dat de Wulp in ons land de grenzen van de groei heeft bereikt.

Aantallen

Het atlasmateriaal wijst op een landelijke populatie van bijna 6900 paren (schatting 6400-7400). Dat is aanzienlijk meer dan de geschatte 3000 paren in 1973-77 maar wijkt niet sterk af van 1979-85 (6500-8000). Overijssel, Drenthe en Noord-Brabant herbergen bijna tweederde. 

Bron

Auteur(s)

Gerritsen, G.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.