Overslaan en naar de inhoud gaan

Stormmeeuw Larus canus

Foto: Kees Venneker

Indeling

Larus [genus]
canus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Stormmeeuwen zijn in 131 blokken waarschijnlijk of zeker broedend aangetroffen. In de enkele blokken waar mogelijke broedvogels zijn gemeld, was de situatie vermoedelijk onoverzichtelijk of ging het om langdurig rondhangende en/of alarmerende volwassen vogels. Overigens is de soort eenvoudig te inventariseren; de kaart geeft dan ook een goed beeld van de verspreiding.

Het broedgebied concentreert zich in een brede strook langs de kust, met de nadruk op de Waddeneilanden en in mindere mate Noord-Holland en de noordelijke Delta. Op de Waddeneilanden broedt de Stormmeeuw op de grond in de duinen of op kwelders, en in het Deltagebied op haventerreinen, voormalige werkterreinen en eilanden. Op het vasteland vinden we de meeste paren op bouwland, in dakgoten van kassen, op platte daken van bedrijven of gewoon op de grond, maar dan binnen omheind gebied (Keijl & Arts 1998). In Noord-Holland broeden enkele honderden paren op gebouwen; alleen al in Alkmaar en omgeving gaat het mogelijk om 300 of meer paren (van Dijk et al. 2000). In enkele gevallen kan overlast optreden (verstopte afvoerpijpen, lawaai) en worden nesten verwijderd. Als gevolg hiervan kan de verspreiding van jaar tot jaar enigszins verschillen. Langs het IJsselmeer broeden jaarlijks 40-70 paren op bouwland in de Noordoostpolder. Slechts enkele paren broeden ver van groot open water, waarbij de kolonie opvalt van 10-20 paren bij Budel, in het zuidoosten van Noord-Brabant, die zich al vanaf 1961 handhaaft (van Erve et al. 1967).

Grote kolonies met meer dan 500 paren (die nog niet 1% van alle kolonies uitmaken) zijn in de atlasperiode alleen aangetroffen op Texel (maximaal 1580 paren verspreid over twee atlasblokken), Vlieland (880), Balgzand (635) en bij Petten (535). Kolonies met 101-500 paren vinden we op alle bewoonde Waddeneilanden, op het hoogoventerrein van Corus bij IJmuiden en op de Maasvlakte, Neeltje Jans en in het Grevelingenmeer in het Deltagebied. De meeste Nederlandse kolonies tellen slechts enkele tientallen paren.

Veranderingen

In de periode 1973-77 was het broedareaal aanmerkelijk kleiner. Gerekend in atlasblokken is de verspreiding sindsdien bijna verdubbeld. Hoewel het percentage waarschijnlijke of zekere broedgevallen destijds wat lager was - vooral als gevolg van onduidelijke broedgevallen in de uitgestrekte akkers van de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland - gaf de toenmalige kaart eveneens een accuraat beeld van de verspreiding.

Vanaf 1908 tot in de jaren tachtig was de Stormmeeuw in Nederland tijdens de broedtijd vooral een kustvogel die in enkele grote kolonies broedde. Sinds het midden van de jaren tachtig verdwenen echter veel grote kustkolonies en ontstonden er meer en meer kleinere in het binnenland. Het meest sprekende voorbeeld is de kolonie in de duinen bij Schoorl, waar op het hoogtepunt in 1985-86 rond 6500 paren broedden, maar die eind jaren tachtig volledig ophield te bestaan. In vergelijking met de oude kaart zien we dat de verspreiding dan ook vooral in Noord-Holland is gewijzigd. Broedden Stormmeeuwen in 1973-77 hier tot maximaal 10 km van de kust, tegenwoordig komen kleine kolonies of losse paren tot wel 20 km landinwaarts voor. In de vastelandsduinen bezuiden het Noordzeekanaal zijn nog maar weinig broedparen over, maar we dienen ons te realiseren dat de aantallen hier nooit echt hoog waren (maximaal 280 paren bij Zandvoort in 1980 en 542 bij Wassenaar in 1983). In het Deltagebied vonden eveneens de nodige veranderingen plaats. Broedgelegenheid verdween hier door vegetatie­successie en bebouwing, maar opspuitterreinen en natuurbouw zorgden ook voor nieuwe habitat. De wijzigingen in Noord- en Zuid-Holland en het noordelijk Deltagebied zijn grotendeels een gevolg van de komst van de vos. De geringe veranderingen in het Waddengebied lijken vooral een gevolg van het beschikbaar komen van nieuwe broedgebieden. Door de jaren heen is het relatieve belang van de Wadden­eilanden - waar nog geen grondpredatoren voorkomen - voor de Stormmeeuw toegenomen. In de jaren zeventig was hier 35% van de landelijke populatie gehuisvest, tegen ongeveer 60% in de huidige atlasperiode (Keijl & Arts 1998).

In de ons omringende landen vergaat het de Stormmeeuw ongeveer als bij ons: in Engeland, Schotland en Denemarken is de soort de laatste jaren achteruit gegaan. In Schotland heeft hij vooral te lijden van predatie (ontsnapte nertsen uit bontfokkerijen). Bij de achteruitgang in Denemarken wordt gedacht aan vergiftiging of afnemend broedsucces door gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw, maar bewijs hiervoor is er niet (Tucker & Heath 1994).

Aantallen

In 1998-2000 herbergde ons land 5600-6500 paren. Hiermee is de populatie terug op het niveau van begin jaren zeventig, na een bloeiperiode begin jaren tachtig (11.000 paren in 1985). 

Bron

Auteur(s)

Keijl, G.O.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.