Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Zilvermeeuw Larus argentatus

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Larus [genus]
(15 soorten in totaal / 5 gevestigd)
argentatus [soort] (2/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Stabiel
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Zilvermeeuwen zijn in 172 atlasblokken vastgesteld. De meeste blokken liggen langs of nabij de kust. Zelfs de meeste broedgevallen in het binnenland liggen niet verder dan 20-30 km van de kust vandaan. Omdat Zilvermeeuwen een opvallende verschijning zijn, mag worden aangenomen dat niet veel broedgevallen aan de aandacht ontsnapt zijn. Ook de aanwezigheid van eieren en jongen is vaak gemakkelijk vast te stellen. Dit verklaart het hoge aandeel zekere broedgevallen (87% van de bezette blokken). Mogelijke broed­gevallen zijn vooral in het binnenland en in stedelijke gebieden opgemerkt. Waarschijnlijk gaat het hierbij zowel om broedplaatsen die slecht te overzien zijn, zoals soms het geval is op daken van grote gebouwen, als om baltsende paren buiten bestaande broedplaatsen.

Het aantal broedparen per atlasblok loopt sterk uiteen. In de meeste gevallen gaat het om kleine aantallen. Slechts in 19% van de blokken werden meer dan 500 paren geteld, op twee blokken na alle in het Wadden- en Deltagebied. Het leeuwen­deel van de Zilvermeeuwen nestelt dan ook in het Waddengebied (1998-2000 max. 34.500 paren) en het Deltagebied (max. 31.600 paren). Langs de vastelandskust van Noord- en Zuid-Holland kwamen de aantallen niet boven de 2250 paren uit. Het merendeel van deze meeuwen (max. 1420 paren) broedde rond de IJmond. In het binnenland zijn maximaal 565 paren vastgesteld. Vermoedelijk ligt dit aantal nog wel wat hoger, omdat het niet altijd mogelijk is de meeuwen op daken van gebouwen goed te tellen. De grootste kolonie tijdens de atlasperiode was die op Saeftinge (max. 10.500 paren). Andere grote kolonies (5000-10.000 paren) lagen op Texel (max. 7550 paren), Terschelling (8900), Schiermonnikoog (7850) en Europoort-Maasvlakte (8700).

Veranderingen

Landelijk gezien was de verspreiding in 1998-2000 in grote lijnen gelijk aan die in 1973-77, maar op regionaal niveau waren er belangrijke veranderingen. De Zilvermeeuw verdween uit 28 blokken en verscheen er in 73. De grootste veranderingen deden zich voor op het vasteland van Noord- en Zuid-Holland, waar de soort vrijwel uit de duinen verdween en zich in dezelfde tijd massaal vestigde op daken van gebouwen en in andere antropogene habitats in de wijde omgeving. Er zijn nu al ruim 20 steden en dorpen waar Zilvermeeuwen op daken broeden, met in totaal minimaal 1600 paren (vooral Alkmaar, IJmond, Haarlem, Leiden en omgeving, ’s-Gravenhage en Rotterdam). Tijdens de eerste atlasperiode werd het broeden op daken nog nergens vastgesteld en daarvoor slechts incidenteel (Spaans 1998b). Het broeden op daken heeft overigens in de 20e eeuw ook elders in Europa een grote vlucht genomen (Hagemeijer & Blair 1997). De wijziging in verspreiding op het vasteland van Noord- en Zuid-Holland is geheel op rekening van de vos te schrijven, die na zijn vestiging en uitbreiding in de duinen de ene na de andere kolonie heeft opgerold (zie bijv. Bouman et al. 1991). Niet alle verdreven meeuwen hebben zich in de omgeving van de oude broedplaatsen gevestigd. Een deel van de vogels is uitgeweken naar de Waddeneilanden en het Deltagebied (Spaans 1998b).

In de rest van het land waren de veranderingen minder spectaculair. Opvallend zijn wel de verdwijning van de Zilvermeeuw uit het Lauwersmeer, de inkrimping van het areaal in Flevoland en de vele nieuwe vestigingen in het Delta­gebied. De verdwijning uit het Lauwersmeer is eveneens op rekening van de vos te schrijven, de areaalinkrimping in Flevo­land op ontginning en de uitbreiding van Almere en Lelystad. De nieuwe vestigingen in het Deltagebied zijn niet alleen een gevolg van de sterk toegenomen aantallen in het zuidwesten van ons land, maar ook van het rapen van eieren in de regio. Ver het binnenland in werden verscheidene nieuwe locaties in bezit genomen maar gingen er ook verloren. Het is dus de vraag in hoeverre de recente vestigingen hier een lang leven zullen zijn beschoren.

De afname die de Nederlandse populatie doormaakte sinds het midden van de jaren tachtig, komt geheel op rekening van de kleinere aantallen Zilvermeeuwen die nu in het Waddengebied en langs de vastelandskust van Noord- en Zuid-Holland broeden. In het Waddengebied is dit het gevolg van een geringere beschikbaarheid van voedsel in het broed­sei­zoen (Spaans 1998b). In het Deltagebied lijkt sinds kort sprake te zijn van een stabilisatie van de aantallen (Meininger & Strucker 2001). Plaatselijk, zoals op Schouwen, waar de meeuwen al enige jaren geen toegang meer hebben tot de nabijgelegen vuilstortplaats, is de stand zelfs al lager dan voorheen (Vercruijsse 1999).

Aantallen

Tijdens de atlasperiode broedden 62.000-67.000 paren Zilver­meeuwen in ons land. Dat is meer dan tijdens de eerste atlasperiode (max. 53.000), maar minder dan in het midden van de jaren tachtig, toen bijna 90.000 broedparen werden geteld (Spaans 1998b). De populatieontwikkeling in ons land komt in grote lijnen overeen met die elders in Europa (Spaans et al. 1991).

Bron

Auteur(s)

Spaans, A.L.

Publicatie