Overslaan en naar de inhoud gaan

Grote stern Sterna sandvicensis

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Laridae [familie]
Sterna [genus] (6/3)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Uit de verspreidingskaart valt meteen het kustgebonden en sterk geclusterde voorkomen van Grote Sterns af te lezen. In slechts 14 atlasblokken was de soort zekere broedvogel. Het leeuwendeel van de Grote Sterns is geconcentreerd in drie bekende bolwerken: Griend in de Waddenzee (in 1998-2000 resp. 7000, 7800 en 7920 paren; Oosterhuis & Heideveld 2000) en de Hompelvoet (1750, 4100, 2800) en Hooge Platen (3500, 2200, 3000) in het Deltagebied (Meininger & Strucker 2001). Daarnaast werden zowel in het Delta- als Waddengebied incidentele vestigingen van hooguit 15 paren vastgesteld. Deze kleine vestigingen waren weinig succesvol.

Aan het eind van de 20e eeuw zijn op verschillende locaties in het Waddengebied (Texel, Ameland, Schiermonnikoog, Rottumerplaat) grotere aantallen broedparen neergestreken. Vooral de kolonies op Rottumerplaat en Schiermonnikoog leken veelbelovend, met maxima van respectievelijk 2335 paren in 1998 en 1000 in 1997. Door onbekende oorzaken waren ook deze kolonies echter van tijdelijke aard, al vestigden zich opnieuw 570 paren op Schiermonnikoog in 2000. Nieuwe vestigingen worden meestal laat in het seizoen gesticht en betreffen waarschijnlijk jonge individuen die voor het eerst tot broeden komen. Mogelijk sluiten deze vogels zich in latere jaren weer aan bij de meer stabiele kolonies. De kolonies op de Hooge Platen (ontstaan in 1987) en in de Voorhaven van Zeebrugge in België (ontstaan in 1988), bewijzen echter dat ook nieuwe vestigingen stand kunnen houden.

Gezien de deels verschillende aantalsontwikkeling worden de kolonies in het Deltagebied, inclusief die van Zeebrugge, en het Waddengebied vaak als aparte clusters beschouwd. Ringonderzoek duidt echter op een sterke uitwisseling tussen kolonies, zowel binnen Nederland als met het buitenland (Brenninkmeijer & Stienen 1997). Daarbij vertonen jonge vogels een grotere neiging tot emigratie dan reeds gevestigde individuen. De keuze van het broedgebied wordt enerzijds bepaald door de aanwezigheid van geschikte nest-, voedsel- en rustgebieden en anderzijds door de quasi-afwezigheid van grondpredatoren en verstoring. De verspreiding staat niet geheel los van die van de Kokmeeuw, aangezien Grote Sterns vrijwel altijd in of bij kokmeeuwenkolonies broeden. De meeuwen bieden de sterns bescherming tegen predatoren en indringers, maar roven anderzijds eieren, kuikens en voedsel. Tijdens het broedseizoen zijn Grote Sterns uit­gesproken voedselspecialisten. Zowel de ouders als hun kuikens leven vrijwel uitsluitend van haring, sprot, zandspiering en smelt.

Veranderingen

Bij eerste oogopslag lijken er de nodige verschuivingen te hebben plaatsgevonden. Vergeleken met de vorige broed­vogelatlas is de soort uit tien atlasblokken verdwenen en in slechts vier verschenen. Het werkelijke beeld is echter een stuk positiever. De veranderingen hebben vrijwel allemaal betrekking op kleine tijdelijke vestigingen. Zoals dat ook nu het geval is, bleef het voorkomen in 1973-77 grotendeels beperkt tot enkele grote kolonies op Griend, Texel en Hompelvoet. De vestiging op de Hooge Platen in de Westerschelde groeide vooral in de tweede helft van de jaren negentig uit tot een kolonie van formaat.

De belangrijkste verandering ten opzichte van de vorige atlas heeft zich voorgedaan in het aantal broedparen. In 1973-77 was de Nederlandse populatie herstellende van een verontreiniging van onze kustwateren met chloorkoolwaterstoffen aan het begin van de jaren zestig (Koeman 1971, Brenninkmeijer & Stienen 1992). Deze persistente stoffen hadden vooral voor toppredatoren als de Grote Stern desastreuze gevolgen. De Nederlandse populatie nam af naar een dieptepunt van 875 paren in 1965. Na het stopzetten van de giflozingen herstelde de populatie zich geleidelijk. In vergelijking tot eerdere herstelperiodes groeide de populatie echter zeer langzaam, mogelijk als gevolg van een sterke achteruitgang van het haringbestand rond de jaren zeventig (Corten 1990). Sinds medio jaren zeventig zijn de aantallen Grote Sterns bijna verdrievoudigd. De aantallen van vóór de vergiftiging, met 27.000-35.000 paren in de jaren vijftig, zijn echter nog lang niet bereikt.

In het verleden veroorzaakte menselijk ingrijpen (verstoring, bejaging, eierraperij en vergiftiging, mogelijk ook overbevissing) grote fluctuaties in het populatieverloop van onze Grote Sterns. Tegenwoordig spelen factoren als een veranderende voedselsituatie, predatie en - in de Afrikaanse overwinteringsgebieden - het vangen van sterns en de sterk toegenomen visserijdruk een belangrijker rol. Mogelijk staat de aantalsontwikkeling in Nederland niet los van die in andere landen. Voordat de Nederlandse populatie in elkaar stortte, broedden er in Europa ongeveer 50.000 paren, waarvan het merendeel in Nederland. De huidige Europese aantallen zijn in dezelfde orde van grootte, maar nu broedt het merendeel buiten Nederland.

Aantallen

In de atlasperiode 1998-2000 broedden er jaarlijks rond 14.500 paren in ons land, duidelijk meer dan in de vorige atlasperiode (4350-5500 in 1973-77).

Bron

Auteur(s)

Stienen, E.W.M.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.