Overslaan en naar de inhoud gaan

Roodhalsfuut Podiceps grisegena

Foto: Kees Venneker

Indeling

Podicipedidae [familie]
Podiceps [genus] (4/3)
grisegena [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Roodhalsfuten zijn vastgesteld in 21 atlasblokken, waarvan in vier als zekere broedvogel. Het aantal broedvogels kan echter worden onderschat doordat paren met een legsel zich onopvallend gedragen (Vlug 1993b). In de blokken met waarschijn­lijke of mogelijke broedgevallen zal het doorgaans om over­zomeraars gaan. Jonge vogels in augustus-september kunnen vroege trekkers zijn.

Alle zekere broedgevallen in 1998-2000 stammen uit Dren­the. De broedplaatsen hier liggen steeds aan ondiep water, maar vertonen verder enkele verschillen: Dwingelderveld (mesotrofe vennen met oeverbegroeiing van grassen en russen), Diependal bij Smilde (voormalige, eutrofe vloeivelden met ruige riet-lisdoddevegetaties), de Boerenveense Plassen bij Hoogeveen (kleine plas met veel ondergedoken vegetatie) en het Bargerveen (hoogveenreservaat). Buiten Drenthe zijn mogelijke en waarschijnlijke broedgevallen gesignaleerd in duinwateren (Waddeneilanden), vennen (Noord-Brabant), laagveenplassen (Noordwest-Overijssel, Utrecht) en langs grote meren (IJsselmeerkust, Markiezaatsmeer).

De Roodhalsfuut is wat betreft voedselkeuze en lichaamsbouw (poot- en kaakmusculatuur) optimaal aangepast aan het leven in ondiepe en vegetatierijke wateren en wordt dan ook vaak samen met Dodaarzen aangetroffen. Wateren waar zeer vele karperachtigen voorkomen, vooral grote exemplaren, zijn ongeschikt. Deze vissen zijn voedselconcurrenten, remmen de groei af van ondergedoken waterplanten en decimeren daardoor het aantal prooidieren (Vlug 1993a, 2000). Roodhalsfuten in het noorden van Duitsland bezetten heel snel, en soms massaal, wateren die gemaakt zijn door ondiepten te inunderen. Hier ontwikkelen zich in korte tijd, onder meer door de ontbindende grassen, enorme aantallen duikerwantsen, poelslakken en andere detrituseters, evenals tiendoornige stekelbaarsjes, alle belangrijk voedsel voor de Roodhalsfuut. Omdat grote karperachtigen ontbreken, kunnen de vogels hier dikwijls vele jongen grootbrengen (Vlug 2000). Deze ontwikkeling doet denken aan het massale optreden van Geoorde Futen in 1945 in geïnundeerde polders in West-Nederland (Vogelwerkgroep Avifauna West-Nederland 1981). Mogelijk zullen Roodhalsfuten ook in Nederland gaan profiteren van de aanleg van wetlands. Ofschoon wisselende waterstanden in de broedplassen, zoals te Diependal (van der Veen 1997), moeilijkheden kunnen opleveren voor de nestbouw, is het positieve effect ervan dat er steeds weer ontbindende landplanten beschikbaar komen, die direct en indirect de ontwikkeling van een rijke invertebratenfauna op gang doen brengen. 

Veranderingen

In 1973-77 werden er geen broedgevallen vastgesteld! Als broedvogel bleef de soort tot de jaren tachtig een grote zeldzaamheid met slechts drie zekere broedgevallen (1918, 1927 en 1966; Vlug 1993b). In de loop van de jaren zeventig en tachtig werd het aantal zomerwaarnemingen groter, bijvoorbeeld 12 ex. op 12 juli 1971 op het Gooimeer bij Muiderberg (Jonkers et al. 1987) en tot 21 ex. in augustus 1989 op het Grevelingenmeer (Ouweneel 1990).

Begin jaren tachtig nam ook het aantal mogelijke en waarschijnlijke broedgevallen toe, zoals in 1981 (Vijfhoek bij Diemen nh), 1982 (Spiegelpolderplas nh) en 1983 (Vlietland bij Voorschoten zh) (Vlug 1993b). Vanaf 1985 hebben Roodhalsfuten vermoedelijk jaarlijks in Nederland gebroed, bijna steeds in Drenthe. Diependal is, vanaf het eerste zekere broedgeval in 1988 (van der Veen 1997) niet alleen de enige vrijwel jaarlijks bezette broedlocatie, maar tevens de enige waar regelmatig verschillende paren broeden, in 1999 4 (waarvan 3 succesvol; van der Veen 2000) en in 2000 3-5 (waarvan 3-4 succesvol; D.J. Haanstra & S. van der Veen pers. med.). Op 30 juni 2000 waren hier 17 adulte vogels aanwezig. In het Dwingel­der­veld broedde een paartje met goede afloop al in 1985 (van Dijk et al. 1994), daarna pas weer in 1999. Op de Boerenveense Plassen nestelt de soort onregelmatig vanaf 1995, terwijl broeden in het Bargerveen voor het eerst in 1999 plaatsvond (Bijlsma et al. 2001).

Waarnemingen elders in het land betreffen meestal waarschijnlijke broedgevallen, en slechts eenmaal een zeker broedgeval, namelijk in 1996 op de Westerplas op Schiermonnikoog (wijfje twee maanden op onbevruchte eieren; van Dijk et al. 1998). Verschillende malen werden onduidelijke broedpogingen gemeld, zoals in Noord-Brabant in 1985 op het Groote Meer bij Hoogerheide (paar in juni-juli, een der vogels enige tijd in broedhouding op nest) en in 1989 bij Kampina (eind april voltooid nest, vermoedelijk gebouwd door solitaire vogel die vruchteloos trachtte een Fuut te betrekken in baltsgedrag) (van Dijk et al. 1994). Vergelijkbaar onduidelijke gevallen deden zich voor in 1994 bij de Grevelingendam (16 juli nestbouw door twee vogels, tevens copulatie; Ouweneel & van der Velden 1995) en in 1995 in de Lindevallei in Zuid-Friesland (paar met nest met onbekende inhoud, in 1991, 1993 en 1994 solitaire vogels in broedtijd; T. Jager pers. med.).

De vestiging als jaarlijkse broedvogel in Nederland valt samen met een populatiegroei vanaf ca. 1980 in een aantal Europese landen, zoals Duitsland (Sleeswijk-Holstein, Mecklenburg), Denemarken en Finland (Vlug 2000). Niet alleen in Nederland, maar ook elders in Europa werden broedgevallen bekend ver ten westen van het reguliere broedgebied, zoals in België in 1979 en 1985. De reproductie is in Nederland relatief hoog. Van 1985 tot 2000 brachten 26 succesvolle paren 52 jongen groot, ofwel gemiddeld 2,00 jongen per paar (J.J. Vlug ongepubl.). Dit is meer dan in Sleeswijk-Holstein, waar de gemiddelde gezinsgrootte in 1984-90 1,53 bedroeg (n=1149 succesvolle paren) (Vlug 1993a). Misschien vormt de hoge reproductie de basis voor een verdere uitbreiding over Nederland.

Aantallen

In de atlasjaren 1998-2000 bedroeg het aantal zekere en waarschijnlijke broedgevallen tenminste 5, 8 resp. 10. Deze drie jaren vormen het maximum dat in de periode 1985-2000 werd bereikt (aangevuld naar Bijlsma et al. 2001).

 

Bron

Auteur(s)

Vlug, J.J.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.