Overslaan en naar de inhoud gaan

Fuut Podiceps cristatus

Foto: Marion Haarsma

Indeling

Podicipedidae [familie]
Podiceps [genus] (4/3)
cristatus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet brak marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Futen zijn vastgesteld in 68% van de atlasblokken, exclusief enkele tientallen blokken waar het slechts om mogelijke broedvogels ging. De soort mijdt de hoge en droge gronden, zoals blijkt uit de hiaten in Drenthe en de Veluwe, maar tevens de zoute en zeer brakke wateren, zoals de magere verspreiding in Zeeland aantoont. Talrijk is deze watervogel vooral in Laag Nederland. Hoge dichtheden worden bereikt rond de Friese Meren, in de Kop van Overijssel (met een uitloper naar het zuiden van Friesland), rond het IJsselmeer, in de meest waterrijke delen van Noord- en Zuid-Holland en in het rivierengebied. Aantallen van meer dan 25 paren per atlasblok zijn hier vrij gewoon, terwijl rond het IJsselmeer lokaal zelfs 100 of meer paren broeden, in het bijzonder bij Medemblik-Enkhuizen. Op de zandgronden gaat het doorgaans om hooguit tien paren per blok, en dergelijke lage aantallen zijn ook kenmerkend voor het Waddengebied, de duinstrook en de Zeeuwse wateren.

Veranderingen

Vergeleken met 1973-77 vond een forse areaaluitbreiding plaats, waarbij de Fuut bijna 450 atlasblokken nieuw wist te bezetten. De veranderingskaart toont aan dat de uitbreiding over het hele land plaatsvond, buiten de reeds in de jaren ze­ven­tig vlakdekkend bezette kerngebieden in Midden-Friesland, Noord- en Zuid-Holland. De soort verscheen dus als nieuwe broedvogel in vele gebieden die als sub-optimaal moeten worden aangemerkt, in Laag-Nederland (Groningen, Deltagebied), maar het meest opvallend toch in Hoog-Nederland. Op de Waddeneilanden, waar de Fuut tijdens de vorige atlasperiode nagenoeg ontbrak, zijn de geschikte locaties inmiddels bezet geraakt. Verder is de verspreiding in Flevoland dichter geworden.

Het is haast niet meer voor te stellen, maar begin 20e eeuw moet de Fuut een schaarse broedvogel zijn geweest in Nederland. In de tweede helft van die eeuw namen de aantallen echter sterk toe, tussen 1966-67 en 1979-85 van 3600-3800 naar 7000-10.000 paren (Bijlsma et al. 2001). De broed­vogel­indexen geven aan dat de toename is afgevlakt in de jaren negentig. In eerste instantie was de vooruitgang te danken aan verminderde vervolging door de mens. Doordat de soort minder schuw werd, vormde het sterk toegenomen recreatief gebruik van veel wateren geen belemmering voor uitbreiding. Ook ging de Fuut steeds kleinere wateren bezetten, en wist zodoende te profiteren van zand- en kleiwinning op de zandgronden. Door het afleggen van zijn schuwheid kon de soort ook op spectaculaire wijze stedelijk gebied veroveren, zoals in Amsterdam (175 paren in 1983; Kraak 1984), Alkmaar (van 1-2 paren in 1961-65 naar 64 in 1994; Smit et al. 1995) en Nieuwegein (van 4-5 paren in 1967 naar 21 in 1997; Abel et al. 1999). Waartoe een vreed­zame coëxistentie niet kan leiden!

De vermoedelijk belangrijkste motor achter de toename, die zich over een groot deel van Europa voordoet, is echter de toegenomen voedselrijkdom van het water als gevolg van lichte tot matige vervuiling met meststoffen (Bauer & Ber­thold 1996). Door de verhoogde productiviteit werden allerlei vissoorten veel talrijker, in het bijzonder brasem, blankvoorn en baars (de Nie 1995). Deze soorten vormen belangrijke prooien van de Fuut. De (geringe) terugloop van de aantallen Futen die plaatselijk in de tweede helft van de jaren negentig is vastgesteld, heeft wellicht te maken met het terugdringen van de nutriëntenbelasting van veel wateren. Dat het echter niet altijd zo eenvoudig in elkaar steekt, laat zich illustreren aan de situatie in De Wieden (Noordwest-Overijssel). Hier nam de Fuut toe van een kleine 300 paren in 1982 naar bijna 500 in 1995 (Veldkamp 1999b). In deze periode nam de voedselrijkdom van het water wat af door saneringsmaatregelen. Op grond hiervan werd een daling van het aantal broedparen van de Fuut verwacht. Dat deze verwachting niet uitkwam, hangt waarschijnlijk samen met het feit dat Aalscholvers massaal gingen vissen in De Wieden (Veldkamp 1994). De overbevissing door Aalscholvers had invloed op de gemiddelde lengte van de aanwezige vis: er trad namelijk een verschuiving op in de leeftijdsopbouw. Het aandeel vissen van 15-25 cm (ideale aalscholverprooien; Veldkamp 1995) nam sterk af ten gunste van de wat kleinere vissen (Klinge & Grimm 1994). Doordat de Aalscholvers vooral de grotere vissen bejagen, kwam er een niche voor jonge vis vrij. Per saldo is de hoeveelheid jonge vis toegenomen, omdat de totale biomassa aan vis niet afnam. Intensieve aalscholverpredatie leidde in dit geval dus tot toename van de voor Futen beschikbare prooien.

Aantallen

Op grond van de geschatte aantallen per atlasblok zou Nederland bijna 15.000 paren tellen. Deze gegevens voorzichtig interpreterend wordt de landelijke populatie in 1998-2000 op 13.000-16.000 paren gesteld. Dit is fors hoger dan de raming van 5000-7500 paren tijdens de vorige atlas in 1973-77.

Bron

Auteur(s)

Veldkamp, R.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.