Overslaan en naar de inhoud gaan

Kuifaalscholver Phalacrocorax aristotelis

Foto: Louis Westgeest

Indeling

Phalacrocorax [genus] (3/1)

Herkenning
65-80 cm. Kleiner en slanker dan aalscholver met slankere snavel, kortere nek en kleinere kop met steiler voorhoofd. Donker olieachtig groen verenkleed zonder wit op kop of dijen; tijdens broedseizoen een korte, naar voren staande kuif. Ogen bleek blauwachtig groen; geel aan snavel helderder dan bij aalscholver, maar naakte huid loopt niet rond oog. Spreidt vleugels als aalscholver. Juveniel verschilt van jonge aalscholver door donkerbruin verenkleed met weinig of geen wit op borst; snavel slanker dan bij adult en veel slanker dan bij jonge aalscholver.

Verspreiding en voorkomen
Komt voor aan de kusten van IJsland, Verenigd Koninkrijk, Scandinavië, Zuid-Europa en Noord-Afrika. In Nederland wintergast in uiterst klein aantal.

Biotopen
Buiten het broedseizoen continu op volle zee, maar kustgebonden voor lange droog- en rustpauzes en verenonderhoud.

Voedsel
Hoofdzakelijk vis; grotere vis wordt naar boven gebracht en aan de oppervlakte ingeslikt.

Eieren
Aantal eieren in legsel meestal 3, soms 2-5, zelden 6. Buikig tot langwerpig buikig. Schaal lichtblauw met een oneffen kalktachtig-witte buitenste laag, waar het blauw van de schaal doorschijnt. Raakt gemakkelijk bekrast en gevlekt. Formaat 62,9 x 38,4 mm.

Geluiden
Een luid, krakend 'kroak-kraik-kroak'.

Publicatie