Overslaan en naar de inhoud gaan

Aalscholver Phalacrocorax carbo

Foto: Henk Olieman

Indeling

Phalacrocorax [genus]
(3 soorten in totaal / 1 gevestigd)
carbo [soort] (2/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

In de jaren 1998-2000 zijn Aalscholvers in 60 atlasblokken als zekere broedvogel vastgesteld. Door het opvallende broedgedrag, de betrekkelijke schaarste aan geschikte kolo­nie­plaatsen en de aandacht die de soort in vrijwel alle monitoringprogramma’s krijgt, is het onwaarschijnlijk dat belangrijke vestigingen gemist zijn. De enkele atlasblokken met mogelijke broedgevallen zullen overzomerende vogels of hooguit zeer kleine vestigingen betreffen.

Verreweg de meeste kolonies zijn te vinden in het waterrijke westen en noorden van ons land, alsmede langs de Grote Rivieren. De gehechtheid aan de grotere wateroppervlakten komt nog duidelijker tot uiting wanneer we de grootte van de verschillende kolonies beschouwen. Kolonies van meer dan 500 paren worden alleen aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van belangrijke voedselgebieden als het IJsselmeergebied, de Waddenzee, de Noordzee of de Deltawateren. Langs rivieren en plassen in Laag-Nederland omvatten de kolonies doorgaans enkele tientallen paren, terwijl de sporadische vestigingen dieper in het binnenland hoogstens enkele paren tellen. Grote kolonies kunnen alleen ontstaan indien er voldoende visrijke wateren aanwezig zijn binnen een vliegafstand van 15-20 km van de broedplaats. Wanneer de oudervogels verder moeten vliegen om te vissen, neemt hun energieverbruik zeer sterk toe (Voslamber 1988). In jaren met een slechte visproductie resulteert dit onverbiddelijk in een gering broedsucces (van Rijn & Platteeuw 1996). 

Veranderingen

Zowel de broedverspreiding als de aantallen broedparen van de Aalscholver zijn sinds de vorige atlas rigoureus veranderd. In 1973-77 was de soort in slechts vier atlasblokken zekere broedvogel, met een landelijke broedpopulatie van 3000 paren in 1977. Aan het eind van de jaren zeventig broedde de Aalscholver vrijwel alleen in of nabij het IJsselmeergebied (Naardermeer, Oostvaardersplassen, Wanneperveen), overigens op locaties waar ook nu nog de grootste kolonies te vinden zijn. De nieuwe vestigingen vonden vooral plaats langs de Grote Rivieren, in het Zuid-Hollandse plassengebied en langs de kust van het Waddengebied tot in de Delta.

De getalsmatige toename was zo mogelijk nog spectaculairder dan de uitdijende verspreiding. De toename bleef in de jaren tachtig in eerste instantie beperkt tot het IJsselmeer­gebied. Tegelijkertijd begon echter ook het aantal broedparen in Noord-Nederland, Noord- en Zuid-Holland langzaam te groeien, in de tweede helft van de jaren tachtig gevolgd door het rivierengebied. In de kustzone ontstonden kolonies in het Deltagebied en, in de jaren negentig, langs de Noordzeekust en op de Waddeneilanden. Begin jaren negentig bereikte de landelijke populatie de top met ruim 20.000 paren. Een crash van het aantal paren in het IJsselmeergebied in 1994 (van Eerden & Zijlstra 1995) resulteerde in een afname tot ongeveer 15.000 paren. Hierna bleef de IJsselmeerpopulatie schommelen tussen 10.000-12.000 paren, terwijl de soort elders verder toenam. Het landelijke aantal broedparen is inmiddels weer terug op het niveau van begin jaren negentig.

De enorme toename in Nederland staat niet op zichzelf: zowel in West- als in Oost-Europa is de ondersoort sinensis, na het wegvallen van de ergste vervolging en het bestrijden van de ernstigste watervervuiling, sterk toegenomen in de loop van de jaren tachtig, met talloze nieuwvestigingen als gevolg (Boudewijn & Dirksen 1995, van Eerden & Gregersen 1995, Lindell et al. 1995). Daarnaast zal toename van bepaalde vissoorten door eutrofiëring van oppervlaktewateren een rol hebben gespeeld. Zo leidde de nutriëntenaanvoer via de IJssel naar het IJsselmeer tot een enorme visproductie, waarvan de Aalscholvers uit het IJsselmeergebied profiteerden (van Eerden & bij de Vaate 1984, Lammens et al. 1995, Noordhuis 2000a). In recente jaren zijn er aanwijzingen dat, naarmate de eutrofiëring wordt teruggedrongen, dit gevolgen zal hebben voor Aalscholvers. De herverdeling van de Nederlandse populatie - in de zin van een tendens naar meer maar kleinere kolonies en een verschuiving van IJsselmeergebied naar Waddenzee en Grote Rivieren - is daar wellicht een uiting van.

Aantallen

In de atlasjaren werden 19.700 (1998), 18.400 (1999) en 19.500 (2000) paren geteld in Nederland. Tegenwoordig broeden er maximaal 11.000 paren in het IJsselmeergebied, een kleine 4000 langs de overige meren, ruim 4000 in de kustzone en nog eens 1500 in het rivierengebied. Vooral in de kustzone nemen de aantallen, met recente vestigingen op Vlieland en Texel (atlasblok kleiner dan 250 ha, niet opgenomen in veranderingskaart), nog steeds toe.

Bron

Auteur(s)

Eerden, M. van, Platteeuw, M., Rijn, S. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.