Overslaan en naar de inhoud gaan

Roerdomp Botaurus stellaris

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Ardeidae [familie]
Botaurus [genus] (1/1)
stellaris [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Roerdompen zijn waargenomen in 11% van de atlasblokken. Eenvijfde daarvan betreft mogelijke broedgevallen. De verspreiding overlapt grotendeels met die van de grotere moerasgebieden op uiteenlopende bodemtypen: laagveen, zeeklei, rivierklei, duinzand en de hoge zandgronden. Meestal zijn er per atlasblok maar enkele paren; in vijf atlasblokken komen meer dan 10 paren voor. In aaneengesloten, half-open, waterrijke rietmoerassen, zoals in de hoogwaterzone van De Wieden en het Harderbroek, wordt een maximale dichtheid van 8 paren per 100 ha bereikt. In de waterrijke laagveengebieden van Zaanstreek-Waterland is de dicht­heid lager omdat moeras hier meer versnipperd voorkomt. De dichtheid heeft een duidelijke relatie met de randlengte aan geschikt foerageergebied in de vorm van min of meer beschutte, overjarige moerasoevervegetaties en/of aangrenzende extensieve natte graslanden (van der Hut 2001).

Regio’s met noemenswaardige aantallen Roerdompen (meer dan 10 paren) zijn het Lauwersmeer (8-12; Kleefstra & Jager 2000), Friesland (exclusief Lauwersmeer 35-40 in 1999-2000; R. Kleefstra pers. med.), Noordwest-Overijssel (19-20 in Weerribben en Wieden in 1998-99; van Dijk et al. 2001b), de Oostvaardersplassen (28-43 in 1998-2000; Beemster et al. 2002), het Harderbroek (8-11 in 1999-2000; Raaijmakers & Zwanenburg 2001) en de Zaanstreek-Waterland (30-40 in 2000; gegevens Vogelbeschermingswacht Zaanstreek & Noord-Hollands Landschap). De Gelderse Poort (20 paren in 1994, 9 in 1998-99; van Dijk et al. 2001b) bleef net onder die grens.

Veranderingen

De verspreiding is vergeleken met 1973-77 met de helft gekrompen, wat overeenkomt met de halvering van het broedbestand in dit tijdvak. In het Utrechts-Hollandse plassengebied en in het rivierengebied is de achteruitgang ontluisterend, terwijl ook de verspreiding in Friesland en het Brabants-Limburgse vennengebied flink is uitgedund. In Zaanstreek-Waterland, de Oostvaardersplassen en de Randmeren bleven verspreiding en aantallen op peil. De nieuwe vestigingen liggen vooral in het IJsselmeer- en Deltagebied.

De Roerdomp is gevoelig voor langdurige vorstperioden en kreeg zware klappen van de winter van 1978/79 en de strenge winters medio jaren tachtig. De overwegend zachte winters van begin jaren negentig leidden niet tot volledig herstel. De koude tot strenge winters van 1995/96 en 1996/97 zorgden voor een nieuwe inzinking, waarna de stand in verschillende regio’s opveerde (onder meer Friesland: van ca. 15 naar 40-45 paren; Kleefstra 2001) in 1998 en 1999. In 2000 en 2001 bleef de stand op dit peil, zodat de broedgebieden verzadigd lijken. Andere factoren moeten verantwoordelijk zijn voor de blijvende halvering van de broedvogelstand. De belangrijkste daarvan is het verlies aan geschikt leefgebied door landschappelijke veranderingen. In delen van Friesland, Noordwest-Overijssel, Zuid-Holland, de Vechtstreek en
het rivierengebied heeft open moeras plaatsgemaakt voor moerasbos als gevolg van vegetatiesuccessie. Daarnaast is de in­ten­sivering van het rietbeheer in Noordwest-Overijssel ongunstig.

De achteruitgang is in zekere zin nog binnen de perken gebleven door het ontstaan van nieuw moeras, zoals in de verzoete watersystemen van het Lauwersmeer en in het Delta­gebied. Een sprekend voorbeeld is de kolonisatie van de zogeheten hoogwaterzone van De Wieden. Hier zijn weidepercelen geïnundeerd als waterbuffer voor het aan­grenzende weidevogelreservaat. In het natte moerasgebied, rijk aan sloten met riet, zijn in 1997-2000 op 86 ha 4-6 paren vast­gesteld (O. Brandsma pers. med.). Maar ook in gebieden waar de Roerdomp standhoudt, zoals in Zaanstreek-Waterland, blijkt de soort afhankelijk van de ontwikkeling van nieuw moeras als gevolg van spontane processen (‘verrieten’ van natte percelen en sloten) of natuurontwikkeling (graven van sloten en poelen).

De Roerdomp toont zich een vertegenwoordiger van relatief jonge moerassen met een verscheidenheid aan verlandingsfasen. Eutrofiëring en demping of omkering van de waterpeildynamiek versnellen de verlanding en spelen aldus een indirecte rol in de afname. Een hoog stikstofgehalte in het oppervlaktewater maakt rietstengels breekbaar; in combinatie met door beroeps- en recreatievaart toegenomen oever­erosie leidt dit tot het versmallen of verdwijnen van riet­gordels, zoals aangetoond in het Friese merengebied en langs de Grote Rivieren (de Nie & Jansen 1988, Coops 1992, Graveland & Coops 1997). Begrazing door vee, dat rietvelden ‘oprolt’ of versnippert, kan in het rivierengebied een belangrijke rol spelen. Het effect van toegenomen recreatiedruk is onduidelijk. De Roerdomp kan in recreatiegebieden dicht bij fiets- en wandelpaden nestelen, maar is waarschijnlijk gevoelig voor verstoring van foerageerplaatsen langs rietoevers.

Aantallen

Recent inventariseerwerk levert 170-200 paren op in de jaren 1998-2000. Bij lage dichtheden laten Roerdompen zich echter zelden horen en worden de aantallen tot 50% onderschat (van der Hut 2001, Poulin & Lefebre 2001). Omdat deze situatie in Nederland tamelijk gebruikelijk is, wordt een marge aangehouden van 200-250 paren, wat mogelijk iets aan de lage kant is. De 450-550 paren uit 1970-78 worden bij lange na niet meer gehaald. 

Bron

Auteur(s)

Hut, R. van der

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.