Overslaan en naar de inhoud gaan

Koereiger Bubulcus ibis

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Ardeidae [familie]
Bubulcus [genus] (1/0)
ibis [soort]

Voorkomen

StatusIncidenteel/Periodiek. Minder dan 10 jaar achtereen voortplanting en toevallige gasten. (1b)
Habitatland zoet
ReferentieZeldzame vogels van Nederland – Rare birds of the Netherlands. Avifauna van Nederland 1

In de atlasperiode deed zich in 1998 het eerste zekere broedgeval in Nederland voor, in De Wieden (Noordwest-Overijssel) in een gemengde kolonie Aalscholvers en Blauwe Reigers (Messemaker & Veldkamp 1999). Deze broedpoging mislukte in de jongenfase. In het Quackjeswater op Voorne (zh) verbleef datzelfde jaar een paar in de lepelaarskolonie; hier werden mogelijk juveniele vogels gezien (van Dijk et al. 2000). Intrigerend is de melding in hetzelfde jaar bij Oud-Loos­drecht (ut) van een op 30 april overvliegend exemplaar met een tak in de snavel. In 1998 bezochten relatief veel Koe­reigers ons land want er werden er zo’n 30 waargenomen (Dutch Birding 20: 136). In 1999 en 2000 trad geen ongewone influx op en deden zich geen broedgevallen voor.

Het broedgeval in De Wieden was het noordelijkste tot dusver in Europa. De afstand tot de dichtstbijzijnde Franse kolonies bedraagt 600 (Elzas) en 800 km (Lac de Grand Lieu bij Nantes). Omdat hier geen of nauwelijks reproductie plaatsvindt, is het niet onwaarschijnlijk dat de Nederlandse broedvogels werden gerekruteerd uit de opmerkelijk goed reproducerende kolonies in de Camargue in Zuid-Frankrijk (Yeatman-Berthelot & Jarry 1994).

Veranderingen

Het broedgeval in Nederland past binnen de mondiale opmars van deze soort. Voor zover dit Europa betreft, is dit een nogal recent fenomeen. Broedend vanaf de 16e eeuw op het Iberisch Schiereiland, namen de aantallen hier pas in de tweede helft van de 20e eeuw sterk toe (50.000 paren in 1970, 85.000 in 1990-91; Hagemeijer & Blair 1997). In de Camargue broedt de Koereiger, na incidentele eerdere pogingen, jaarlijks vanaf 1968 en groeiden de aantallen naar 580 paren in 1991 en 3540 in 1996, met inzinkingen na strenge winters. Recentelijk broedt de soort ook aan de Atlantische kust van Frankrijk: bij Arcachon (1993 11 paren) en veel noordelijker bij Nantes (onregelmatig sedert 1981, 10 paren in 1984). Begin jaren negentig ontstonden verschillende nieuwe kolonies, onder meer bij de rivier de Indre in Midden-Frankrijk. Nog wat noordelijker, in de Elzas, bevindt zich een geïntroduceerde kolonie (Yeatman-Berthelot & Jarry 1994).

Of het Nederlandse broedgeval voorbode is van een definitieve vestiging in ons land, hangt mede af van de vraag of deze van oorsprong mediterrane dan wel tropische soort het kan bolwerken in ons gematigde klimaat. In Noord-Amerika heeft de soort al een ruime verspreiding in vergelijkbare klimaatsgebieden en is er zelfs doorgedrongen in het boreale gebied. Klimatologische omstandigheden lijken een definitieve vestiging als Nederlandse broedvogel dus niet in de weg te staan, mits de vogels maar trekgedrag vertonen, zoals dat ook in een groot deel van Noord-Amerika het geval is.

Aantallen

In 1998 waren er 1-3 broedgevallen, in de overige atlasjaren nul.

Bron

Auteur(s)

Veldkamp, R.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.