Overslaan en naar de inhoud gaan

Kleine zilverreiger Egretta garzetta

Foto: Louis Westgeest

Indeling

Ardeidae [familie]
Egretta [genus] (1/1)
garzetta [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Onzeker

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Ondanks hun witte verschijning kunnen Kleine Zilver­reigers zich in onoverzichtelijk landschap onopvallend verplaatsen, waardoor de aanwezigheid als broedvogel niet altijd gemakkelijk kan worden vastgesteld. Vanwege de speciale aandacht die vogelaars aan deze zeldzame broedvogel besteden, mag echter worden aangenomen dat de verspreidingskaart nagenoeg volledig zal zijn. Deze geeft aan dat de soort vooral wordt aangetroffen in de uitgestrekte moerasgebieden van de Oostvaardersplassen en nabij ondiepe wateren in het Deltagebied (zowel duinmeren als voor­malige platen) en Waddengebied (met slenken doorsneden kwelders). De soort broedt in Nederland in bomen en struiken, maar op de Waddeneilanden ook op de grond, mogelijk vanwege de afwezigheid van bodempredatoren hier. Hij zoekt vaak aansluiting bij Lepelaars. De nestbouw bestaat dan ook niet zelden uit de overname van een recent vrijgekomen lepelaarsnest, dat met verse grassprieten wordt opgeknapt. Ook worden nieuwe nesten gemaakt van gras- of rietstengels en kleine takjes.

De soort is in de atlasperiode in het Waddengebied vanaf 1999 vastgesteld op Schiermonnikoog en Terschelling, met in beide gevallen 1-2 paren. Vermoedelijk broedt ook minimaal één paar op Vlieland vanaf 1999. In het Delta­gebied, waar de soort al wat langer voorkomt, werd hij gemeld van het Quackjeswater (vanaf 1994 1-2 paren, toenemend tot 3-7 in 1998-99, met als voorlopige topper 9 nesten in 2000), de Middelplaten in het Veerse Meer (1997 1 paar, in 1998 1-2 broedgevallen, in 1999 geen, in 2000 0-1 en in 2001 afwezig) en de Braakman (in 1999 en 2000 2 broedgevallen, in 2001 4 waarvan 3 succesvol). Op het vasteland werden Kleine Zilverreigers ontdekt in de Oostvaardersplassen (vanaf 1996, 3-6 paren) en de Ackerdijkse Plassen (zh; eerste paar in 2000).

Veranderingen

In vergelijking met de vorige atlasperiode is er wat betreft de Kleine Zilverreiger veel veranderd. Was er in de jaren zeven­tig slechts een enkel broedgeval (in 1979, in de Oostvaardersplassen), dat vooralsnog geen navolging kreeg, momenteel mogen wij de soort tot de regelmatige broedvogels rekenen. Ook buiten de broedtijd wordt de soort in toenemende mate aangetroffen. Het aantal dieren dat tegelijkertijd aanwezig is, kan in de nazomer oplopen tot enkele honderden, met de grootste concentraties in het Delta­gebied, op afstand gevolgd door het Waddengebied (Bijlsma et al. 2001).

De definitieve vestiging in Nederland past binnen de noordwaartse uitbreiding die in West-Europa is vastgesteld. In Frankrijk, waar de populatie in de Camargue tot in de jaren zeventig 90% van de landelijke aantallen innam, breidde de soort zich in de jaren tachtig (en ondanks opvallende sterfte tijdens enkele strenge winters) spectaculair uit over de volledige Atlantische kusten; eind jaren tachtig broedde hier al de helft van de Franse populatie (Yeatman-Berthelot & Jarry 1994). In Engeland namen de aantallen vanaf het eerste broedgeval in 1996 snel toe tot 30-36 paren in 1999 (Ogilvie et al. 2001A). Gezien de eveneens positieve berichten uit andere landen ligt het in de verwachting dat het aantal broedparen in Nederland, waar broedhabitat volop aanwezig lijkt, in de komende jaren nog flink zal stijgen. Het verdient in dit verband aanbeveling om niet alleen het aantal broedparen goed vast te leggen, maar ook de precieze broedlocaties en het broedsucces. Om de verspreiding en uitbreiding beter te kunnen volgen, is voortzetting van het inmiddels op beperkte schaal gestarte kleurringonderzoek wenselijk. Vooral in het Deltagebied overwinteren jaarlijks enkele tientallen Kleine Zilverreigers waarvan de oorsprong onbekend is. Ringonderzoek, vooral met individueel herkenbare kleurringcombinaties, kan meer duidelijkheid verschaffen omtrent het trekgedrag van de Nederlandse broedvogels.

Aantallen

Het aantal broedparen bedroeg in de atlasjaren 1998-2000 tenminste 5, 9 resp. 20. In 2001 kwamen minimaal 22 paren in ons land tot broeden. 

Bron

Auteur(s)

Horn, H.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.