Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Lepelaar Platalea leucorodia

Foto: Marion Haarsma

Indeling

Platalea [genus] (1/1)
leucorodia [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De verspreidingskaarten zijn zeer volledig: slechts weinig soorten worden jaarlijks zo goed gevolgd als de Lepelaar! Lepelaars broeden in Nederland vooral in beschermde natuurreservaten die gewoonlijk voor publiek gesloten zijn. Nagenoeg de hele populatie is gehuisvest in Wadden-, IJssel­meer- en Deltagebied. In de atlasperiode 1998-2000 bevonden zich kolonies van 100 of meer paren in De Geul op Texel (maximaal 135 paren), Vlieland (170), de Boschplaat op Terschelling (167), de Oosterkwelder op Schiermonnikoog (176), het Zwanenwater (105), de Oostvaardersplassen (160) en het Quackjeswater bij Oostvoorne (230). Zeven kolonies van 5-100 paren lagen in het Waddengebied (De Muy en De Schorren op Texel, Ameland), IJsselmeergebied (De Ven bij Enkhuizen, Lepelaarplassen) en het Deltagebied (Veerse Meer, De Heen). Voorts waren er 13 - deels onregelmatig bezette - vestigingen van 1-5 paren in alle kustprovincies (gegevens Werkgroep Lepelaar).

Voedselzoekende Lepelaars worden in geheel Laag-Nederland waargenomen, aangezien de voedselplekken tot 30-40 km van de broedkolonies verwijderd kunnen liggen. Na het broedseizoen vormen Lepelaars grote groepen op nazomerpleisterplaatsen, waarvan de belangrijkste rond de Waddenzee, het IJsselmeer en in het Deltagebied liggen (van Dijk & Overdijk 1996). In Nederland broedende Lepelaars worden na het broedseizoen soms ver van de broedplaats waargenomen, bijvoorbeeld in Engeland, Duitsland of Denemarken. Het broedareaal in Noordwest-Europa is tegenwoordig niet alleen beperkt tot Nederland. Er broeden momenteel ook Lepelaars in het Duitse Waddengebied (22 paren), Denemarken (5), Frankrijk (max. 60) en incidenteel in Engeland (0-2).

Veranderingen

In vergelijking met de vorige atlasperiode heeft binnen het lage en natte deel van Nederland een opmerkelijke uitbreiding plaatsgevonden. Het meest opvallende is wel dat inmiddels alle Waddeneilanden zijn gekoloniseerd, met uitzondering van Griend en enkele zandplaten. De populatie is hier binnen een kwart eeuw vertienvoudigd, van grofweg 60 naar 600 paren. In de jaren tachtig en negentig ontstonden in het Waddengebied belangrijke nieuwe kolonies op De Schorren op Texel (1982), Vlieland (1983), Schiermonnikoog (1992), Ameland (1994) en Rottumerplaat (1995). In het Deltagebied verscheen in 1989 een kolonie op Oostvoorne die vervolgens een sterke groei doormaakte. Verschillende nieuwe kolonies elders in het Deltagebied (Veerse Meer, Markiezaatsmeer, Sloegebied) of omgeving (Biesbosch) zijn getalsmatig nog van weinig betekenis. De verspreiding in het IJsselmeergebied kent nog steeds een concentratie in Zuidelijk Flevoland (Oostvaardersplassen en Lepelaarplassen), al zijn er op de westelijke oever nieuwe kolonies ontstaan (De Ven bij Enkhuizen). In het oog springend is voorts het verdwijnen van de kolonie in het Naardermeer na 1988, met het Zwanenwater de enige locatie die tot dan toe gedurende de gehele 20e eeuw bezet was geweest.

De uitbreiding en toename die in de jaren tachtig en negentig plaatsvonden, voltrokken zich in het kielzog van verbeterde waterkwaliteit in Nederland (deels door het verbod op persistente pesticiden, die vermoedelijk mede verantwoordelijk waren voor een inzinking in de jaren zestig) en intensievere bescherming langs de trekbaan en op de broedplaatsen. Onrust in sommige traditionele broedkolonies door de komst van de vos leidde tot enige verschuivingen binnen Nederland, waarbij vooral het uitwijken naar het Waddengebied succesvol heeft uitgepakt. Hier ligt inmiddels dan ook het zwaartepunt van de populatie (Voslamber 1994, Overdijk 1999, Schutte & den Boer 1999).

De jaarlijkse aantalsfluctuaties per kolonie kunnen aanzienlijk zijn. Soms worden kolonies zelfs tijdelijk verlaten, zoals de Oostvaardersplassen in 1996, in een voorjaar met zeer lage waterstanden. Aan de uitbreiding is, gezien het ontstaan van nieuwe broedkolonies, nog geen einde gekomen. Nieuwe broedlocaties ontstaan meestal nabij bestaande nazomerpleisterplaatsen (Balgzand).

De (her)kolonisatie in de ons omringende landen hangt samen met de populatiegroei in Nederland, zoals blijkt uit waarnemingen van in Nederland gekleurringde vogels.

Aantallen

In 1998-2000 broedden resp. 1270, 1008 en 1024 paren in Nederland (gegevens Werkgroep Lepelaar). Ten opzichte van de vorige atlasperiode (190-240 paren in 1973-77) betekent dit een aanzienlijke vooruitgang. Het aantal broedrijpe individuen in de Nederlandse populatie bedroeg in 1973-77 ongeveer 420-480 en is gestegen naar ca. 2050 in 2000. De inzinking in 1999 was vermoedelijk een gevolg van droogte in Zuidwest-Spanje: vogels die in één ruk van de Banc d’Arguin in Mauretanië naar de Coto de Doñana waren gevlogen, konden daardoor niet voldoende aansterken om de tocht naar Nederland voort te zetten.

Bron

Auteur(s)

Overdijk, O.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-20005: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.