Overslaan en naar de inhoud gaan

Houtduif Columba palumbus

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Columbidae [familie]
Columba [genus] (3/3)
palumbus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Met een blokbezetting van 97% kent de Houtduif slechts weinig hiaten in zijn verspreiding, namelijk zandplaten in de Waddenzee (inclusief Vliehors) en Markerwaard- en Afsluitdijk. Binnen Nederland bestaat een grote variatie in talrijkheid. De (half-)besloten landbouwgebieden met bos, bosjes en houtwallen, zoals in Oost-, Midden- en Zuid-Nederland, tonen hoge relatieve dichtheden. De ogenschijnlijk beste bezetting in Twente, zuidelijk Salland en de Achterhoek is reëel. Deze gebieden zijn rijker en gevarieerder, en minder afgetakeld, dan de Noord-Brabantse en Noord-Limburgse landbouwgebieden. Eenzelfde verschil is te zien aan weerszijden van de Veluwe: de Gelderse Vallei met zijn bio-industrie is minder aantrekkelijk voor Houtduiven dan de meer intacte IJsselvallei. Houtduiven zijn plaatselijk ook goed vertegenwoordigd in Noord- en West-Nederland, waaronder de Kop van Noord-Holland (vooral oudere polders), steden met veel groen (’s-Gravenhage-Voorburg-Wassenaar-Leiden, Amsterdam, Haarlem en Lelystad) en grootschalig akkerland met graanverbouw (Noord-Groningen, waar aangewezen op erfbeplantingen en de schaarse houtwallen temidden van een overvloed aan voedsel; hier niet op de grond broedend, zoals wèl in de Drentse veenkoloniën; B. Koks & R.G. Bijlsma ongepubl.).

Gebieden met een lage dichtheid tonen interessante patronen die vaak, maar niet altijd, aan de verwachting voldoen. De open graslandgebieden van Groningen, Friesland, de Zaan­streek en het Groene Hart spreken voor zich (weinig broedgelegenheid en voedsel), zo ook de streek tussen Oss en Uden (arm naaldbos, maïsverbouw), Europoort en Velsen-IJmuiden (zware industrie), Peelstreek (naaldbos en intensieve veehouderij), Oude Vaart en Wolddiep in Zuidwest-Drenthe (open veenweide), hoogveenontginningen rond Smilde en op de Drents-Groningse grens, en Lierde­­r- en Molenbroek ten zuidoosten van Zwolle (grootschalig grasland). Opmerkelijk is de schaarste van Houtduiven op het Veluwemassief, een fenomeen dat in de jaren tachtig en negentig zijn beslag kreeg en ook bekend is van grote boswachterijen in Drenthe, Noord-Brabant en Limburg.

De variatie in dichtheid op de Waddeneilanden is terug te voeren op het al dan niet voorkomen van landbouw: afwezig op Vlieland, amper op Schiermonnikoog, het meest op Texel. Van de Vlielandse Houtduiven is bekend dat ze foerageertochten naar Texel ondernemen (Bijlsma et al. 2001) terwijl die van Schiermonnikoog naar Groningen vliegen (Boekema et al. 1983). De afnemende dichtheid gaande van Noordoostpolder naar Zuidelijk Flevoland heeft, net als bij de Holenduif, te maken met een navenante afneming in dichtheid van bebouwing en wegennet (erf- en laanbeplanting), alsmede met een afnemend aandeel naaldhout in de bossen (van meer dan 50% in Kuinderbos naar minder dan 5% in Horsterwold, Hulkesteinse Bos en Almeerderhout).

Veranderingen

De afgelopen 40 jaar heeft de Houtduif enorme veranderingen ondergaan binnen Nederland, zowel in talrijkheid als in habitatkeus. Dit komt niet tot uitdrukking bij een vergelijking van verspreidingskaarten uit 1973-77 en 1998-2000, omdat de soort nog voldoende talrijk is om in elk atlasblok te worden gemeld. Deze verandering werd in gang gezet door wijzigingen in het landbouwsysteem (Bijlsma et al. 2001). De omschakeling naar grootschalige landbouw in de jaren zestig - leidend tot een mega-voedselaanbod - zorgde in eerste instantie voor verbeterde reproductie en aantalstoename, in het bijzonder in bosrijke streken en landbouwgebieden. De opkomst van maïsteelt, de verdwijning van stoppelvelden in de nazomer (verdwijning granen en onderploegen stoppel direct na oogst), en de efficiënter wordende oogstmethoden leidden vanaf eind jaren zeventig tot de ineenstorting van de nazomerse rurale voedselbonanza. Voor Houtduiven op de Veluwe en in grote boswachterijen in Zuidoost-Friesland, Drenthe, Salland, Noord-Brabant en Noord-Limburg had dat vèrstrekkende consequenties. In korte tijd veranderde de Houtduif hier van toonaangevende in schaarse broedvogel; de afname tussen midden jaren zeventig en negentig bedroeg in vele bosgebieden meer dan 90% (Bijlsma et al. 2001, R.G. Bijlsma ongepubl.). Op de relatieve dichtheidskaart is dit vooral zichtbaar op de Veluwe, een gapend gat waar 25 jaar geleden nog gemiddeld 70 paren per 100 ha bos werden vastgesteld (Bijlsma 1978b). Dat de andere genoemde bos­gebieden niet ook als lege plekken zichtbaar zijn, is een schaalprobleem. De malaise is namelijk niet aan de Oost- en Zuid-Nederlandse zandgronden voorbijgegaan, maar was daar minder dramatisch dan in de grote bosgebieden.

Tegenover deze afname (met vermoedelijk 100.000-en paren) staat een toename in duinen, dorpen en steden. In aantallen uitgedrukt is vooral de opkomst als stadsbroed­vogel een factor van betekenis. Alleen al in woonwijken in ‘s-Gravenhage werd de stand in 2000 op 7500 paren geschat, neerkomend op gemiddeld 150 paren per 100 ha (Loorij et al. 2001). Hoewel al decennia gaande, lijkt deze ontwikkeling in de jaren negen­tig te zijn versneld. Mogelijk heeft de Houtduif hier een niche gevonden die naast voedsel ook voldoende nestplaatsen en minder predatie oplevert. Aan grote predatiedruk is immers alleen succesvol het hoofd te bieden in streken met een uitbundig voedselaanbod in de broedtijd (Bijlsma 1980). En dat is precies wat er schort aan de huidige bossen en landbouw­gebieden.

Aantallen

Berekeningen komen uit op 460.000 paren (schatting 400.000-500.000 paren). In 1979-85 werd de stand op 500.000-800.000 paren geschat, het merendeel daarvan in bosgebieden op zandgrond. Eerdere schattingen waren te laag.

Bron

Auteur(s)

Bijlsma, R.G.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.