Overslaan en naar de inhoud gaan

Halsbandparkiet Psittacula krameri

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Psittaculidae [familie]
Psittacula [genus] (2/1)
krameri [soort]

Voorkomen

StatusExoot. Tussen 10 en 100 jaar zelfstandige handhaving. (2b)
Habitatland
ReferentieDe Halsbandparkiet, Monniksparkiet en Grote Alexanderparkiet in Nederland: risicoanalyse en beheer

Verspreiding


Verspreidingskaart halsbandparkiet in Nederland (1970-2009)
Bron: SOVON en Waarneming.nl

De Halsbandparkiet broedde vermoedelijk voor het eerst in het wild in Nederland in het eind van de jaren 1960. Het huidige verspreidingsgebied is er een van uitersten; binnen de Randstad, en dan met name in Amsterdam en Den Haag, is de soort plaatselijk een van de talrijkere en opvallendste stadsvogels, maar daarbuiten zijn waarnemingen schaars tot zeldzaam. Een zogenaamde slaapplaatstelling georganiseerd door SOVON in november 2004 resulteerde in ruim 5400 Halsbandparkieten, verdeeld over enkele grote slaapplaatsen zoals bij Voorburg (3200), Amsterdam (1800), Rotterdam (282), Haarlem (67) en Leiden (60-80) (Van Diek 2005). Het werkelijke aantal zal overigens nog wel iets hoger zijn geweest en sindsdien is de soort waarschijnlijk nog verder toegenomen. Een betrouwbaar beeld van de populatieontwikkeling is op dit moment nog niet te geven, doordat het aantal systematische tellingen daarvoor nog tekort schiet.

Verplaatsingen

De Halsbandparkiet vertoont in Nederland geen trekgedrag, maar verplaatsingen van deze soort zijn desondanks met regelmaat waarneembaar. Langsvliegende groepjes aan het einde van de dag zijn namelijk een bekend fenomeen op veel plekken binnen het verspreidingsgebied. Het gaat daarbij om slaaptrek, oftwel verplaatsingen naar de vaste gemeenschappelijke slaapplaats. Het seizoenspatroon van de Halsbandparkiet, dat op grond van gegevens van SOVON en waarneming.nl kan worden opgesteld, laat zien dat de hoogste aantallen in het winterhalfjaar worden opgemerkt, met opvallende pieken in september, december en januari. Dat de aantallen in het winterhalfjaar hoger liggen kan verklaard worden doordat de aantallen op de slaapplaatsen dan het hoogst zijn (en het tellen het gemakkelijkst is). De pieken zijn hoogstwaarschijnlijk te wijten aan waarnemerseffecten. Wegtrek of andere grootschalige verplaatsingen spelen hierbij geen rol. Ook in zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied gedraagt de soort zich als een standvogel.

Bron

Auteur(s)

Slaterus, R.