Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Torenvalk Falco tinnunculus

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Falconidae [familie]
Falco [genus] (10/3)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Hoewel de Torenvalk vanaf midden april tot in juni of juli, wanneer de jongen uitvliegen, een teruggetrokken leven leidt, zullen de kaarten een getrouw beeld geven van verspreiding en aantallen. Roofvogels genieten bij veel vogeltellers immers een bijzondere voorkeur, en medewerkers van de Werkgroep Roofvogels Nederland (wrn) hebben via het Nestkaartenproject waardevolle aanvullingen gegeven op het atlasmateriaal. Wel moet worden bedacht dat de Torenvalk goede en minder goede tijden kent, door variaties in de populatieomvang van veldmuizen. Vette jaren, zoals in de atlasperiode 1999 en 2000 (Bijlsma 2001), flatteren het kaartbeeld. In magere jaren zullen verspreiding en vooral aantallen minder omvangrijk zijn.

De Torenvalk is nog steeds de meest verspreide roofvogel in Nederland, hoewel hij de koppositie qua aantallen aan de Buizerd is kwijtgeraakt. De soort is in ruim 90% van de atlasblokken aangetroffen. Op de Veluwe, waar aaneengesloten bossen domineren en veel Haviken - geduchte predatoren van Torenvalken - rondvliegen, bevindt zich een leemte in de verspreiding, net als in boomloze gebieden zoals de kwelders van het Waddengebied. Dat de verruigde en vergraste duinen van Holland en Zeeland weinig gastvrij zijn geworden voor Torenvalken, is op de verspreidingskaart vanwege het grove raster niet terug te vinden. Slechts in 4% van de bezette atlas­blokken wordt opgegeven dat meer dan 10 paren aanwezig zijn. Deze blokken liggen, net als de gebieden met wat hogere relatieve dichtheden, nogal verspreid over het land. Opmerkelijk zijn de lage aantalsschattingen in het eertijds door Torenvalken dichtbevolkte Flevoland. Nu zijn hier in minder dan een kwart van de blokken meer dan drie paren opgegeven en wordt de populatie op basis van het atlasmateriaal berekend op maximaal 200 paren.

Veranderingen

In 1973-77 zat de broedpopulatie van de Torenvalk weer in de lift na een klap in de jaren zestig door gebruik van landbouwvergiften. De populatie werd verder nog geruggensteund door het massaal plaatsen van nestkasten. Van een inzinking medio jaren tachtig herstelde de stand zich dankzij enkele piekjaren van de veldmuis. In de tweede helft van de jaren negentig ver­loor de Torenvalk echter weer terrein, vooral in bosgebieden op de hoge gronden maar ook in cultuurland (Bijlsma et al. 2001).

Ten opzichte van de vorige inventarisatieperiode is het aantal bezette atlasblokken niet afgenomen, al zijn er - tamelijk diffuus verspreid over Nederland - in sommige blokken geen Toren­valken meer gevonden. Daar staat een uitbreiding tegen­over in Zeeland, corresponderend met de toename van Zwarte Kraai en Ekster hier door afgenomen vervolging. Dit leidde tot een groter aanbod van nestgelegenheid, terwijl voorts vanaf midden jaren zeventig op grote schaal nestkasten werden aangeboden (Tramper 1991, Buise 1995). Het plaatsen van torenvalkkasten - aanbevolen in fruitteeltgebieden, vooral waar milieubewust appels worden geteeld - vindt nog steeds doorgang.

Op regionale schaal vonden overigens ingrijpende veranderingen plaats, maar deze komen (vooralsnog) niet tot uiting in het kaartbeeld. De populatieafname in grote bosgebieden als de Veluwe (Bijlsma et al. 2001) vertaalt zich nog niet in een leegloop van atlasblokken aldaar. Hetzelfde geldt voor Flevoland, waar in de jaren negentig de klad kwam in een voorheen bloeiende populatie, waarschijnlijk vooral door het geleidelijk afvlakken van de veldmuispieken die op het jonge land nog voorkwamen. Daarnaast is het areaal aan jacht­gebied afgenomen en verscheen de Havik als predator van Torenvalken ten tonele. Het belangrijkste jachtgebied in Flevo­land bestaat momenteel uit brede wegbermen, net als elders in ons door ‘biljartlakens’ gedomineerde moderne cultuurland. De achteruitgang in Flevoland weerspiegelt zich ook in de winteraantallen die, vergeleken met begin jaren negen­tig, zelfs in de landelijk goede jaren 1999 en 2000 bijna gehalveerd zijn (T. Eggenhuizen & K. Breek ongepubl.).

In verschillende streekavifauna’s wordt erop gewezen dat wijzigingen in het agrarisch grondgebruik hebben geleid tot negatieve effecten op de populatie Torenvalken. Naast een toename van akkerland (vooral vanwege verbouw van maïs) ten koste van het veldmuisrijkere grasland, is het grondgebruik ook geïntensiveerd. Dit proces was al gaande tijdens de vorige inventarisatieperiode in de jaren zeventig, maar kreeg zijn grootste beslag in de afgelopen 20 jaar. Naast een directe afname van de veldmuisstand heeft dit tevens de veldmuispieken afgevlakt. Echte, over grote oppervlakte optredende veldmuisplagen behoren tot de geschiedenis. Als deze tendens zich voortzet, ligt een verdere populatieafname van de Torenvalk in het verschiet, en mogelijk ook een versplintering van het nu nog aaneengesloten broedgebied.

Aantallen

De schattingen per atlasblok leveren een totaal op van 7100 paren. Omdat dit getal sterk beïnvloed wordt door de goede stand in 1999 en 2000 wordt de broedpopulatie in 1998-2000 op 5000-7500 paren gesteld. In daljaren van de veldmuis zullen de aantallen zich rond de ondergrens bevinden, in piekjaren bij de bovengrens. De schatting van 5000-6500 paren in 1973-77 was vermoedelijk te laag.

Bron

Auteur(s)

Eggenhuizen, T.

Publicatie