Overslaan en naar de inhoud gaan

Slechtvalk Falco peregrinus

Foto: Kees Venneker

Indeling

Falco [genus]
(11 soorten in totaal / 3 gevestigd)
peregrinus [soort] (2/1)

Indeling

Falco [genus]
(11 soorten in totaal / 3 gevestigd)
peregrinus [soort] (2/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Sterke toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De Slechtvalk broedt vanaf 1990 jaarlijks in Nederland (van Geneijgen 2000). In de atlasperiode werden zekere broedgevallen vastgesteld bij Maasbracht (broedplaats bezet vanaf 1990), Geleen (vanaf 1996), Nijmegen (vanaf 1997), op of rond de Eemshaven (vanaf 1998), Geertruidenberg (vanaf 1998), Hollands Diep (vanaf 1999) en de Maasvlakte (vanaf 2000). De soort broedt in speciaal aangebrachte nestkasten, kraaiennesten of nissen in hoge gebouwen of hoogspannings­masten. Bij gebruik van kraaiennesten wordt jaarlijks een ander nest gezocht. Door de grote actieradius van Slecht­valken kan één paar in de atlasperiode dus in verschillende atlasblokken tot broeden zijn gekomen, zoals in Groningen gebeurde. Bij de mogelijke en waarschijnlijke broedgevallen is de kans groot dat het baltsende of overzomerende noordelijke vogels betreft. Incidenteel gaat het echter om de aanwezigheid van Slechtvalken voorafgaand aan een nieuwe vestiging, zoals het geval was bij een atlasblok in Midden-Limburg (broedgeval in 2001).

Het voorkomen in Nederland hangt samen met ontwikkelingen in Duitsland. In de tweede helft van de jaren tachtig werden de eerste industriële bouwwerken betrokken ten noorden van het Slechtvalk-bolwerk in het middelgebergte van Baden-Württemberg (Heller 1995). Van daaruit fungeerde de Rijn als belangrijke verspreidingsader in noordwestelijke richting. Eind jaren tachtig vestigden de eerste paren zich in het kunstmatige berglandschap van schoorstenen en koel­torens rond Keulen en het Roergebied (Wegner 1994). In 2000 werden hier, vooral langs de rivieren Rijn, Roer en Lippe, 38 broedparen geteld met 64 uitgevlogen jongen (AG Wander­falken­schutz 2000). De vestiging als broedvogel in Nederland valt dus niet lang na die in het Roergebied, en werd gevolgd door hervestiging in België in 1994. Hier verloopt de ontwikkeling sneller dan in Nederland, met in 2000 al 13 paren en 30 uitgevlogen jongen (G. Robbrecht pers. med.). Mogelijk komt dit door een gunstiger ligging ten opzichte van de kern­verspreidingsgebieden, wat tevens een verklaring kan zijn voor de vrij zuidelijke verspreiding binnen Nederland.

Het Groningse broedpaar behoort tot een kleine populatie van zo’n 15 paren aan de Duitse Waddenkust. Waarschijnlijk sluiten de nakomelingen uit dit gebied zich gemakkelijk aan bij de inmiddels stevige populatie in Noordrijn-Westfalen, België en Nederland. Aanwijzingen daarvoor zijn een overwegend zuidwestelijke dispersierichting en een verhoudings­gewijs hoog aantal ringmeldingen.

Veranderingen

In 1973-77 vonden in drie atlasblokken zekere of waarschijnlijke broedgevallen plaats, alle op of nabij het Harskampse zand op de centrale Veluwe. Vermoedelijk ging het om slechts één paar dat tot en met 1980 op verschillende plaatsen opdook (Bijlsma 1993). Hoewel de Slechtvalk incidenteel al eerder op de Veluwe broedde, is het voorkomen tot in de vorige atlasperiode opmerkelijk. Het broeden in bomen beperkte zich bij de Slechtvalk namelijk grotendeels tot de laagvlakte rond de Oostzee. Begin jaren zeventig stierf deze populatie nagenoeg uit (Kirmse 1995) en pas in 1996 werd weer een boombroedend paar ontdekt, ten noorden van Berlijn (Langgemach et al. 1997). In 2000 bedroeg het aantal boombroedende paren in dat gebied slechts drie.

In de nieuwe atlasperiode is geen enkele broedverdachte waarneming van de Veluwe of een vergelijkbaar gebied bekend. Alle zekere broedgevallen speelden zich af op of bij industriële hoogbouw en nabij grote watervlakten als rivieren, grindgaten of de zee. Ook in hun winterverspreiding zijn de Slechtvalken sinds eind jaren zeventig van de Veluwe en vergelijkbare gebieden in Drenthe nagenoeg verdwenen, en heeft toename van de winterpopulatie alleen plaatsgevonden in Laag-Nederland. Het is onduidelijk of deze regionale verdwijning iets te maken heeft met de afname van zaadetende vogels als gevolg van omzetting van graanvelden in maïsakkers, toegenomen concurrentie met Havik en Buizerd (Hustings & van Winden 1998) of het dichtgroeien van grote open ruimtes als heidevelden en stuifzanden. Zeker is wel, dat het voedselaanbod in de nieuwe broedgebieden vele malen hoger is dan het ooit op de Veluwe was.

Gezien deze ontwikkelingen valt een verdere toename in de laaggelegen, voor Slechtvalken voedselrijke delen van Nederland te verwachten. Bodembroedsels, zoals eerder in 1926 op Schiermonnikoog en 1930 bij Rottum (Brouwer 1927, 1930), zijn zeker niet uitgesloten, vooral niet in het voedselrijke (en deels van grondpredatoren gevrijwaarde) Waddengebied, waar de Slechtvalk zich een flexibele houding kan permitteren. Vanaf 1992 komen bodembroedsels met enige regelmaat voor op zandplaten in de Waddenzee bij Hamburg (Korsch et al. 1994).

Aantallen

In 1998-2000 broedden er respectievelijk 5, 6 en 7 paren Slechtvalken in Nederland. In 2001 waren dit er 8, aangevuld met tenminste 3-4 territoriale paren die niet tot broeden kwamen.

Bron

Auteur(s)

Geneijgen, P. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.