Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Blauwe kiekendief Circus cyaneus

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Accipitridae [familie]
Circus [genus] (4/3)
cyaneus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke afname
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Blauwe Kiekendieven zijn gemeld uit 65 atlasblokken. In 23 blokken gaat het echter slechts om mogelijke broedvogels. Hoewel een enkel broedgeval gemist kan zijn door onvoldoende intensief veldonderzoek, zal het hier in verreweg de meeste gevallen late doortrekkers betreffen. Vanwege het opvallende gedrag in de broedtijd en de grote aandacht voor deze zeldzame soort moet de verspreidingskaart behoorlijk volledig zijn.

Minstens 90% van de Nederlandse populatie is gevestigd op de Waddeneilanden. Hier nestelt de Blauwe Kiekendief in vochtige duinvalleien met een rijke vegetatiestructuur. Door de aanwezigheid van flinke struiken, zoals kruipwilg en duin­doorn, kan de broedhabitat een uitgesproken besloten aanblik bieden. Gemiddeld broeden Blauwe Kiekendieven op drogere, dichter en hoger begroeide plekken dan Bruine Kiekendieven en zijn ze niet gebonden aan riet(velden). De foerageervluchten strekken zich uit over duingebieden, kwel­ders en cultuurgraslanden. Jonge konijnen, muizen, zang­vogels en jonge weidevogels vormen in de broedtijd belangrijke prooien (Schipper 1973, Bakker 1996, van der Wal et al. 1999).

Tijdens de atlasperiode was Terschelling hèt bolwerk (33-38 paren), gevolgd door Texel (18-30), Ameland (4-13), Schiermonnikoog (7-10), Vlieland (2-4) en Rottumeroog (1). De aantallen per atlasblok zijn doorgaans laag. Alleen op Terschelling komen twee blokken voor met elf of meer paren, dankzij de grote oppervlakte gaaf duinlandschap met reservaatstatus aldaar.

In het binnenland vormen de Oostvaardersplassen het enige gebied met een aaneengesloten voorkomen over meerdere atlasblokken. Het ging in de atlasperiode echter om slechts 4-5 paren. In het Lauwersmeer is in 1999 en 2000 gebroed (1 resp. 3 paren), wat opmerkelijk is omdat de soort er vanaf de drooglegging in 1969 nooit eerder broedde. Andere waarschijnlijke en zekere gevallen in Laag-Nederland zijn onder meer vastgesteld in de Zaanstreek (eerste zekere broedgeval in 1998, echter mislukt; J. Zorgdrager pers. med.) en op de Hompelvoet (1999; K. de Kraker & P. Derks pers. med.). In enkele gevallen ontbraken duidelijke aanwijzingen voor een broedgeval, maar ging het wel om een langdurig aanwezig paar (Zwanenwater 1999; D. van Dijck pers. med.) of dito territoriale man (uiterwaarden Lek en Zouweboezem in 2000, man op drie locaties baltsend met onderlinge afstand van 3,3-6,5 km; Boele & Witkamp 2001). De enige meldingen uit Hoog-Nederland komen uit het oosten van Drenthe.

Veranderingen

De huidige verspreidingskaart verschilt aanmerkelijk van die in de vorige atlas. De soort is uit 47 atlasblokken verdwenen en is in slechts 13 verschenen. Vrijwel alle verlaten blokken liggen op het vasteland, met name in Drenthe, Noordwest-Overijssel en Zuidelijk Flevoland.

In het laatste gebied vestigde de soort zich na de drooglegging (1968), beleefde er een piek van 40-50 paren in 1977-80, maar verdween grotendeels toen de polder in cultuur werd gebracht (Bekhuis & Zijlstra 1991). In Noordwest-Overijssel deed de kleine populatie het goed eind jaren zeventig en begin jaren tachtig (6-8 paren in De Weerribben in 1980-81) om daarna te verdwijnen. Verbossing resulteerde hier in toegenomen onveiligheid door de komst van vos, Havik en Buizerd; te intensief rietmaaien en een mogelijk verslechterde voedselsituatie deden de rest (Woets 1988, Bijlsma & Altenburg 1999). In Hoog-Nederland was de soort al vóór de vorige atlas vrijwel verdwenen door grootschalige omvorming van heide en hoogveen tot cultuurland. In Drenthe, waar in 1973-77 nog in 7-8 blokken werd gebroed, zijn recent amper broedgevallen vastgesteld (van den Brink et al. 1996).

De ontruiming van het vasteland werd gecompenseerd door toenemend broeden op de Waddeneilanden, aanvankelijk alleen op Ameland (vanaf 1940) en Terschelling (vanaf 1946). Van hieruit zijn de andere eilanden bevolkt. In 1978 is voor het eerst succesvol gebroed op Texel, in de jaren negentig ging het er jaarlijks om 20-30 paren (Dijksen 1996). In de jaren negentig begon de waddenpopulatie te wankelen. Ameland huisvestte in 1989-93 nog 22-26 paren, maar in 2000 waren er maar vier over en bleek de jongenproductie minimaal. Vrijwel zeker speelt een slechte muizenstand hierbij een rol, terwijl het bemachtigen van prooien wellicht wordt bemoeilijkt door voortgaande successie van de duinvegetatie. Vanaf 1990 namen hier ook andere muizeneters af, waaronder de Velduil. Overige geschikte prooien, zoals jonge konijnen, Graspiepers en Veldleeuweriken, werden eveneens schaarser (Versluys et al. 1997, Bijlsma 2000a, 2001, 2002a, Ringgroep Ameland & J.F. de Jong pers. med.). Op Terschelling en Schiermonnikoog wordt de afname in verband gebracht met nestplaatsconcurrentie met de Bruine Kiekendief (Bakker 1996, van der Wal et al. 1999). Menselijke verstoring kan ook van betekenis zijn, want op Terschelling mislukte daardoor in 1994-96 een kwart van de legsels al in de eifase (Bakker 1996). Op Texel is de reproductie beter, mogelijk door een gunstiger voedselsituatie. Op dit eiland komen bruine rat en noordse woelmuis voor, terwijl aardmuis en rosse woelmuis zich er recent vestigden (Dijksen 1996, Twisk 1999). De waddenpopulatie produceert momenteel vrijwel zeker te weinig jongen om te compenseren voor de sterfte (Lof 2000). Omdat immigratie van broedvogels niet is aangetoond, is het toekomstperspectief niet rooskleurig.

In afwijking van de ontwikkeling in het Nederlandse Waddengebied, is in het Duitse en Deense deel in 1991-96 een aantalstoename gesignaleerd. Het gaat hier echter om in totaal slechts enkele tientallen paren (Rasmussen et al. 2000).

Aantallen

In 1998-2000 broedden 85-105 paren in Nederland, tegen 100-130 in 1973-77. Na een bloeiperiode van eind jaren zeventig tot begin jaren negentig zijn we nu getuige van een slinkende en - wie weet - verdwijnende populatie.

Bron

Auteur(s)

Versluys, M.

Publicatie