Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Grauwe kiekendief Circus pygargus

Foto: Marcel Holtjer

Indeling

Accipitridae [familie]
Circus [genus] (4/3)
pygargus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000
ExpertSamson, R. (Sovon)

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Binnen de atlasperiode zijn in 37 atlasblokken broedende of broedverdachte Grauwe Kiekendieven aangetroffen. De tien mogelijke broedgevallen zullen trekkers of rondzwervende vogels betreffen. Gezien het intensieve onderzoek dat naar deze soort wordt uitgevoerd, is het niet aannemelijk dat er broedparen gemist zullen zijn.

De kerngebieden waren, net als in voorgaande jaren, het Groninger Oldambt, het Lauwersmeer en Zuidelijk Flevoland. De broedvogels van Groningen en Flevoland nestelen voornamelijk in landbouwgewassen als wintertarwe en luzerne, die van het Lauwersmeergebied in uitgestrekte, verruigende landrietvegetaties. Binnen de atlasperiode zijn buiten de hier genoemde kerngebieden incidentele gevallen opgemerkt bij de Engbertsdijksvenen in Overijssel (1999) en in de Drents-Groningse veenkoloniën (resp. 1, 2 en 0 paren in 1998-2000). Net na de atlasperiode was dit het geval in het Fochtelooërveen (2001).

In de jaren 1998-2000 bedroeg het maximale aantal broedparen per atlasblok zes, in een blok ten oosten van Winscho­ten. Relatief goed bezette blokken, met twee of meer broedparen, lagen tussen Finsterwolde en de Dollard, in het zuidelijk Lauwersmeer en het landbouwgebied bij Almere.

Veranderingen

Vergeleken met 1973-77 heeft de kern van het verspreidingsgebied zich verplaatst van Zuidelijk en Oostelijk Flevoland naar Noordoost-Groningen. Voorts is het voorkomen op de Waddeneilanden en in het binnenland (Noordwest-Over­ijssel, Peel) opgelost. Uit 39 atlasblokken is de soort verdwenen, in 32 is hij als broedvogel opgedoken en in slechts vier kwam hij in beide perioden voor.

Het veldwerk voor de vorige atlas werd uitgevoerd tijdens een periode waarin de gestaag afnemende Nederlandse po­pulatie een kortstondige opleving in Flevoland bereikte. Na een piek van 50 paren rond 1980, kort na het verschijnen van de vorige atlas, ging het verder bergafwaarts, zodat deze roofvogel aan het eind van de jaren tachtig op de nominatie stond om als Nederlandse broedvogel te verdwijnen. Door het grootschalig uit de productie nemen van hoogproductieve landbouwgronden in Noordoost-Groningen, een vorm van braaklegging om in eu-verband landbouwoverschotten weg te werken, ontstond de huidige, inmiddels redelijk stabiele populatie in Noordoost-Groningen (Koks & van Scharenburg 1997, Koks et al. 2001, 2002).

De broedpopulatie in Flevoland heeft zich niet goed weten te handhaven. De broedparen in de jaren zeventig en tachtig zaten vooral in ruigtekruiden in pas aangeplante populierenbossen (Zijlstra & Hustings 1992). Bij het ouder worden van deze bossen zocht de Grauwe Kiekendief nieuw aangeplante bospercelen op. In 2000 werd waarschijnlijk voor het laatst in deze opmerkelijke broedhabitat genesteld; de bomen zijn inmiddels simpelweg te hoog geworden, terwijl grootschalige nieuwe aanplant ontbreekt. Verder heeft de toegenomen druk op het landelijk gebied (stadsuitbreiding Almere en Lely­stad) en de verandering in landbouwpraktijk (van ontginningslandbouw naar zeer efficiënte landbouw met weinig granen) bijgedragen aan de achteruitgang in Flevoland.

Door de verschuiving van (semi)natuurlijke broedgebieden naar landbouwgewassen is de Grauwe Kiekendief op Europese schaal in een kwetsbare positie beland. In veel landen, waaronder Nederland, werd de soort daarmee in hoge mate afhankelijk van nestbescherming. In de Nederlandse situatie is samenwerking tussen enerzijds vogelaars en anderzijds akker­bouwers of personeel van drogerijen onontbeerlijk om de nesten te behoeden voor oogstwerkzaamheden. Nesten in het groenvoedergewas luzerne zouden zelfs voor de volle 100% mislukken als een goede samenwerking zou ontbreken. Mede hierdoor is de Grauwe Kiekendief in Groningen uitgegroeid tot hèt symbool van de akkernatuur van wijde vlaktes (Koks & Visser 2001)!

Op onze breedtegraad vormen (veld)muizen en sommige akkervogels (met name Graspieper, Veldleeuwerik en Gele Kwikstaart) belangrijke prooidieren. Deze situatie is structureel anders dan in de eerste atlasperiode. In die jaren is uit onderzoek van Wim Schipper (1973) gebleken dat het voedselspectrum veel breder was en bijvoorbeeld ook hagedissen en grote insecten omvatte. Met deze constatering zijn we aanbeland bij één van de knelpunten voor de komende jaren. De huidige voedselsituatie lijkt een verder herstel van de kleine populatie in de weg te staan. Beleid om wat te doen aan de natuurwaarden in het open cultuur­land moet er mede op zijn gericht het aantal prooidieren te verhogen. Hiermee kan het huidige broedsucces worden verbeterd en kan de Grauwe Kiekendief als Nederlandse broedvogel waar­schijnlijk behouden worden. Tegelijkertijd vormen het behoud van het open cultuurlandschap en conti­nuering van de huidige inspanningen rond nestbescherming belangrijke randvoorwaarden voor een redelijk toekomstperspectief voor deze soort. Dergelijke inspanningen moeten ook buiten onze landsgrenzen blijvend worden uitgevoerd; zo ligt het voor de hand dat ‘onze’ vogels deel uitmaken van een populatie waarvan de kerngebieden in Denemarken, Sleeswijk-Holstein, Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen liggen (Koks & Visser 2001). Nestbescherming daar heeft dus óók zijn effecten op onze vogels, en vice versa. Een internationale aanpak is, net als bij veel andere soorten van agrarische landschappen, de enig juiste om op lange termijn succes te boeken.

Aantallen

In de atlasjaren 1998, 1999 en 2000 werden respectievelijk 29, 34 en 45 paren in Nederland geteld. De populatie in 1973-77 omvatte rond 15-25 paren.

Bron

Auteur(s)

Visser, E.G.

Publicatie