Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Bruine kiekendief Circus aeruginosus

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Accipitridae [familie]
Circus [genus] (4/3)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

In 37% van de blokken zijn Bruine Kiekendieven vastgesteld als zekere of waarschijnlijke broedvogel. Omdat het een opvallende soort is, zal hij in bezette blokken nauwelijks gemist zijn. In blokken waar de soort als mogelijke broedvogel is opgevoerd, veelal rond de kerngebieden en op de zandgronden, zal het doorgaans gaan om rondzwervende vogels, onvolwassen niet-broedvogels en mislukte broedvogels. Deze vogels worden, op grond van herhaalde waarnemingen in een bepaald gebied in het broedseizoen, vaak ten onrechte opgevoerd als (mogelijke) broedvogels. Omgekeerd wordt de dichtheid in optimale broedhabitats, indien alleen gebruik wordt gemaakt van territorium-indicerende waarnemingen, vaak onderschat.

Meer dan 95% van de Bruine Kiekendieven broedt in Laag-Nederland, westelijk van de lijn Dollard-Saeftinge. Er wordt gebroed in klei-, duin- en laagveenmoerassen en op schorren, kwelders en gorzen met voedselrijke jachtgebieden in de na­bijheid. Daarnaast broedt de soort ook in smalle riet­kragen langs vaarten en sloten, bij minieme plasjes in open land en met name in Groningen en Friesland in landbouwgewassen, vaak graanvelden, graszaad en luzerne. Lokaal wordt een hoog voedselaanbod in landbouwgebied bevorderd door braaklegging, een ingreep die ook op de Grauwe Kiekendief een gunstige uitwerking heeft. In Laag-Nederland zijn hiaten in de verspreiding vooral aanwijsbaar in de verstedelijkte gebieden van Holland en de Zeeuws-Hollandse duinen.

In Hoog-Nederland is de soort een spaarzame verschijning. Broedgelegenheid is hier schaars (vloeivelden, moerasjes en met riet begroeide vennen) en kent vaak een hoge menselijke druk, bijvoorbeeld door recreanten. Bovendien kunnen de broedplaatsen en het omringende cultuurland qua voedselrijkdom niet tippen aan die in Laag-Nederland.

De bolwerken voor de Bruine Kiekendief zijn de Wadden­eilanden, het Lauwersmeer, het Friese merengebied, de Oostvaardersplassen en het Deltagebied. In deze gebieden is ook het merendeel te vinden van de atlasblokken waar meer dan 10 paren broeden, terwijl alleen al het Deltagebied een kwart van de Nederlandse broedvogels herbergt. Ook Noordoost-Groningen, de Kop van Overijssel, de Wieringermeer en de Zaanstreek kennen omvangrijke populaties, daarbuiten gaat het vaak maar om 1-3 paren per blok.

Veranderingen

Sinds de vorige broedvogelatlas is het aantal blokken met broedende Bruine Kiekendieven in Laag- Nederland sterk toegenomen. Tegelijkertijd was in Hoog-Nederland duidelijk sprake van een afname. Er zijn echter enkele uitzonderingen op deze regel. Zo nam de verspreiding af in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland, waar het areaal geschikte habitat door ontginning van rietvelden kromp. In het rivierengebied bestaat er een scheiding tussen de westelijke en oostelijke delen, met de meest gunstige aantalsontwikkeling in het westen. Landelijk is de balans behoorlijk positief met een vestiging als zekere of waarschijnlijke broedvogel in ruim 350 blokken
tegenover verdwijning uit bijna 80. Ook elders in Noord- en West-Europa gaat het de Bruine Kiekendief de laatste decennia voor de wind. Dit komt vooral doordat het gebruik van persistente pesticiden in de landbouw, verantwoordelijk voor een populatie-inzinking in de jaren zestig, werd gestaakt en de soort beter werd beschermd (Hagemeijer & Blair 1997).

Het einde van de vorige atlasperiode viel tien jaar na het dieptepunt. Eind jaren zestig was de stand van de eens algemene Bruine Kiekendief in Nederland gezakt tot zo’n 100 paren. Nog geen tien jaar later broedden er alweer 725-850 paren. Het herstel zette tot begin jaren tachtig met dezelfde snelheid door, om daarna af te vlakken. In 1991-92 telde de populatie rond 1400 paren, sindsdien is de populatie stabiel. Per gebied komen afwijkingen op het algemene beeld voor, zoals enkele voorbeelden aantonen (aangevuld naar Bijlsma et al. 2001). In de Kop van Overijssel trad een behoorlijke af­name op. In De Weerribben daalde het aantal broedparen tussen 1979 en 1999 als gevolg van verbossing en verruiging van 22-23 naar 5 en in De Wieden tussen 1982 en 2000 van 35 naar 18. In het Lauwersmeer verdween eveneens broed- en voedselhabitat. In combinatie met vossenpredatie leidde dit tot een afname van 82 paren in 1983 naar 13 in 1999. Daar­tegenover staat een forse toename op de Waddeneilanden, van 9 paren in het midden van de jaren zeventig naar 135-160 rond 1995 (Hustings et al. 1997) en 158-193 tijdens de atlasperiode (L. Dijksen & SOVON ongepubl.). In het Deltagebied liepen de aantallen op van hooguit een twintigtal medio jaren zestig via 110 paren in 1979 naar 350-400 in 2000 (Meininger 1984, Castelijns 2001a).

Aantallen

In 1998-2000 broedden er naar schatting 1300-1450 paren in Nederland. De schatting is wat hoger dan de 1300 paren die voor eind jaren negentig worden opgegeven in Bijlsma et al. (2001). De verschillen zitten hem vooral in hogere schattingen voor Friesland en Zeeland.

Bron

Auteur(s)

Castelijns, H.

Publicatie