Overslaan en naar de inhoud gaan

Sperwer Accipiter nisus

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Accipitridae [familie]
Accipiter [genus] (2/2)
nisus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Sperwers zijn in 72% van de atlasblokken gemeld als zekere of waarschijnlijke broedvogel. Daarmee komt het plafond van de Nederlandse verspreiding in zicht; boven de 85% zal de bezettingsgraad niet komen bij gebrek aan nestelgelegenheid in de resterende blokken. Kern van de verspreiding bevindt zich als vanouds in de beboste streken in het midden, oosten en zuiden van het land. Ook ontginningslandschappen hier zijn meestal voorzien van ‘eilandbossen’ op de moeilijkst te ontginnen gronden, en daarmee geschikt voor de Sperwer. Het rivierengebied en de spaarzaam beboste delen van Laag-Nederland, inclusief stedelijk gebied, zijn eveneens bezet. De soort ontbreekt grotendeels in de Fries-Groningse zeekleipolders, akkerbouwgebieden van Flevoland en de Hollandse veenweiden.

De hoogste schattingen (11-25 paren per blok) zijn afkomstig uit de bosrijke delen van Midden- en Oost-Nederland, met een westelijke uitschieter op de Brabantse Wal. De dichtheid in het rivierengebied en overig Laag-Nederland blijft met meestal 1-3 paren per blok achter bij die op de zandgronden, waar 4-10 per blok frequent voorkomt.

Opmerkelijk genoeg tekent zich geen duidelijk verschil in talrijkheid af tussen de centrale Veluwe (arm dennenbos) en de randen (gevarieerder, met gordel van voedselrijke dorpen). Dat was tien jaar geleden nog wel waarneembaar, conform bevindingen op de Nijmeegse Heuvelrug waar bosranden dichter bezet bleken (Bijlsma 1993 resp. Zollinger 1988). Vergeleken met de Havik blijkt de Sperwer zich veel sneller (of succesvoller?) in de bosarme delen van Nederland te vestigen. Beide soorten hebben hun optimum op de zandgronden, al lijkt dit voor de Sperwer te veranderen.

Veranderingen

De verspreiding in 1973-77 beperkte zich nagenoeg tot de omvangrijke bosgebieden op de oostelijke zandgronden, buiten de invloedssfeer van de met gifstoffen overspoelde landbouwstreken. Vanaf eind jaren zeventig sloot de verspreiding zich op de zandgronden, raakten de Hollandse duinen en Waddeneilanden (her)bevolkt en werden de eerste voorposten in het rivierenland bezet.

In 1998-2000 blijkt Laag-Nederland grotendeels te zijn gekoloniseerd. Tegelijkertijd is het verschil in dichtheid tussen de oude verspreidingskernen op de zandgrond en de later bezette regio’s kleiner geworden. De oppervlakte naaldbos per atlasblok speelt nog steeds een grote rol in het voorkomen van de Sperwer, maar niet meer zo eenduidig als tien jaar geleden. Blokken met meer dan 10 broedparen zijn uiterst schaars geworden. Bolwerkjes in Drenthe, Friesland, Twente, de Veluwe en oostelijk Noord-Brabant, die alle rond 1990 een hoge dichtheid hadden, vallen niet meer op. Alleen in Utrecht en westelijk Noord-Brabant zijn nog uit enkele bijeen liggende blokken meer dan 10 paren opgegeven. Het aantal blokken in deze aantalsklasse daalde ten opzichte van 1989-92 van 34 (Bijlsma 1993) naar 25. Tegelijkertijd ontwikkelde de Sperwer zich tot broedvogel van stad en dorp, met vooral in het westen en noorden opvallende aantallen; bijvoorbeeld 27-30 nesten in Amsterdam (Marcus 1998, Vlek 2001) en 13 in Groningen-Haren in 1999 (A. Hut & T. van Overveld pers. med.). Broedresultaten in stedelijk gebied steken, zo blijkt uit het Nestkaartenproject, gunstig af bij die in andere habitats (conform van Diermen 1996).

Het recente aantalsverloop verschilt per regio. In Laag-Nederland neemt de populatie nog steeds toe. Lokale studies in Hoog-Nederland en de duinen geven stabiele (Achterhoek, Nijmeegse stuwwal) tot sterk slinkende populaties te zien (Drenthe, Amsterdamse Waterleidingduinen, Zuidwest-Veluwe en oostelijk Noord-Brabant). Van alle factoren die een regulerende rol kunnen spelen, is predatie door Havik het eenvoudigst waar te nemen en de gevolgen duidelijk herkenbaar. In uiteenlopende gebieden is vastgesteld dat van een deel van de nesten ouders en/of nestjongen gepredeerd worden. Individuele broedvogels figureren maar kort in de broedpopulatie en weinig paren brengen nakomelingen voort (zie Ottens 1998). Moeilijker is het om de kans op predatie en de betekenis ervan te zien in samenhang met die van andere factoren, zoals habitatkwaliteit en de beschikbaarheid van voedsel.

Veranderingen in de bosbouw leiden tot een groter areaal ouder en structuurrijk bos, terwijl (in zuidelijk Noorwegen) middel­oud bos juist de voorkeurshabitat van jagende Sperwers blijkt (Selås & Rafoss 1999). Voedselgebrek lijkt lokaal een probleem, gelet op de verminderde eiproductie of het niet tot ei­leg overgaan van Sperwers. Signalen hieromtrent komen van de Zuidwest-Veluwe (van den Burg 2000, R.G. Bijlsma pers. med.) en uit Noord-Brabant (H. Donkers & J. van Diermen ongepubl.). De afname van het aantal Huismussen, voor veel Nederlandse Sper­wers met een aandeel van meer dan 40% een ‘sleutelprooi’ in de broedtijd (Tinbergen 1946, Opdam 1979, van Diermen 1996), is één van de factoren die hierin een rol kan spelen. Zowel predatie, ha­bi­tat­verlies als voedseltekort leiden tot lagere reproductie en overleving, met voorspelbaar gevolg voor het aantal broed­paren.

Aantal

Op grond van de opgegeven schattingen per atlasblok (ruim 4500 paren) becijferen we een totaal van 4000-5000 paren in 1998-2000. Dat is een verviervoudiging sinds midden jaren zeventig en betreft waarschijnlijk een voorbijgaande piek. 

Bron

Auteur(s)

Diermen, J. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.